• Steven Van Der Heyden

Woestijnzucht

Inleiding bij de bundelvoorstelling



Geert Jan Beeckman verdiende al langer zijn poëtische strepen met onder meer zijn debuut “Diep in het seizoen” meteen bekroond met de Herman de Coninck prijs voor beste debuut in 2008. Daarna volgden de bundels “Hersenneerslag” in 2011 en “Bloedgroepen” in 2015, beiden bleven zeker niet onopgemerkt.


En nu is er dus de vierde bundel : “Woestijnzucht”. Geert Jan omschrijft het zelf als een bundel reisgedichten in de brede zin van het woord. Het openingscitaat van niemand minder dan Rilke geeft ons al een vermoeden van richting wanneer gezegd wordt : “ Er is maar één reis : de reis naar binnen”. Een duidelijke uitnodiging tot introspectie, een reis die niet begrensd wordt door wat mag maar door wat mogelijk en menselijk is, althans zo las ik het.


Maar vanwaar dan die titel “Woestijnzucht” of met andere woorden een hang naar woestijn? Duidt dit op een verschraling van een innerlijk landschap of is het de wereld rondom ons die armer wordt en als spiegel reflecteert op wat we denken en voelen?


De flaptekst spreekt over een reiziger als dichterlijke zoeker die d.m.v. poëzie dingen en plaatsen wil begrijpen die hij bewust opzoekt of die per toeval op zijn weg komen. Zo werd ik in volle lockdown een reisgenoot en kroongetuige van dit diepmenselijk epos waarin taal de dichter nooit in de steek laat, integendeel hij wendt ze juist aan om grip te krijgen. Het werd een intiem portret maar evengoed een ode aan de verbeeldingskracht waar de muzikale woorden het overnemen van de onbevredigde.


De dichter breekt conventionele structuren af om zijn werkelijkheid uit te diepen, ze laag per laag verder bloot te leggen. Hij bewaakt wat gespaard wordt in aanrakingen, wat verloren gaat in zijn bewegingen.

Tijdens deze reis of tocht zijn de voetstappen van de dichter het metrum dat zijn denken begeleidt wat rijke gedichten oplevert, zorgvuldig opgebouwd en met een originele zeggingskracht.


Toch laat de poëzie van Geert Jan Beeckman zich nooit meteen uitleveren, daagt ze liever de lezer uit, stelt hem of haar op de proef. De ruimte tussen en buiten de omschreven beelden, de betekenis die daarbij impliciet ontstaat biedt een ontsnapping uit de geobserveerde werkelijkheid, richt de blik opnieuw naar binnen.


Meer nog, die betekenis maakt dat deze bundel leest als een roadmovie met gedichten als decors maar evengoed vallen er ingrediënten uit de film noir te ontdekken. Er hangt vaak een zekere spanning, een mengsel van desolate sfeer en anonimiteit met figuren die soms vervreemd lijken van de maatschappij waarin ze leven. Het hoeft niet te verbazen dat enkele gedichten uit deze bundel geschreven werden bij het werk van de Amerikaanse realist Edward Hopper. Zijn beroemde woorden “ If you could say it in words there would be no reason to paint” complementeren de poëzie van Geert Jan die wel over trefzekere woorden beschikt om zijn landschap te verbeelden.


Ook de structuur van de bundel rolt zich uit als een filmscenario onderverdeeld in acht hoofdstukken of scènes en met een geheel eigen aftiteling. Als eerste “take” of voorwaarde is er de drang naar verte, de droom van een overkant die realiteit wordt om op een dag te beginnen met het verplaatsen van jezelf. Dat gebeurt niet onvoorbereid, ik citeer : “Een landkaart legt het land op tafel” , “steekt plannen over met centimeters.” In brochures van het geluk “is alles inbegrepen tot waar de ogen gaan” om ten slotte het huis achter te laten, “enkel op zijn plaats laten wat goed staat bij afwezigheid”. “Wat mee moet wordt draagbaar dankzij tijd en taal.”


Het is duidelijk dat de hoofdrol niet enkel is weggelegd voor “plaats” maar ook voor “tijd” en” taal”.

Want onderweg worden we “nagekeken door het tijdelijke” of kan tussentijd zich woordeloos vullen, wordt het een nestplaats waarin de dichter zich verheft als stuifzand in de woestijn die hij bevrucht met zijn speeksel. Zijn gedichten worden “de code van een geboortegrond waarmee hij de wereld bloot kijkt”. De dichter legt niet enkel de lagen van zijn realiteit bloot, hij kijkt ze ook bloot, ontdekt andere werkelijkheden waarin tijd lijkt te haperen, taal vertraagt. Een tijdperk met statisch geknetter als grondtoon waar ” ijs in de woordenschat kruipt.” Taal lijkt er een schuilplaats van tekens, een vreemd kerkhof van illusies. Er zit niets anders op dan te “ wachten op klaarte, troost bieden met wit.”


Tot de dichter zijn blik op de verte herwint, wat overblijft is wat hij om zich heen ziet, wat zich niet langer verzwijgt in woorden. Wat leeg voor hem lag, fluistert hij dichterbij of m.a.w. “hij haalt met poëzie de bestemming terug naar zich toe.” In het gelijknamige hoofdstuk “ Woestijnzucht” houdt de dichter de regie van zijn taallandschappen strak in handen, hoewel…de wind er al eens van richting durft te veranderen. Overbodigheden lijken er uit de tijd te vallen maar wanneer dood wordt verzameld in een gedicht, de woestijn een tombe lijkt, is een existentiële dreiging nooit veraf.


De eerste strofe uit het gedicht “Poëtisch gesproken” vat dit hoofdstuk en bij uitbreiding deze bundel heel mooi samen, ik lees het graag voor :


In een land dat de ogen moet missen

grijpt de dichter naar zijn taal.

Vreemd is dat niet.

Buiten de mensen een beeld stelen

om met woorden tussen hen terug te keren.

Het is een manier van nemen

niet zonder te geven.


Deze dichter heeft me niet enkel laten reizen maar gaf me ook een gevoel van thuis komen.

Afsluiten doe ik graag op pandemische wijze :


De woorden en poëzie van Geert Jan Beeckman worden doorgegeven als een virus, voor je het weet ben je besmet, word je hun drager, een gastheer bij wie ze blijven wonen!


Geen enkel vaccin is hiertegen bestand!


steering_wheel-512_edited_edited.png