• Luuk Gruwez

Weerbare weemoed

Roer in gesprek met Luuk Gruwez

Over het land van de handen en de wangen, de bakermat en het buitenbaarmoederlijk bestaan, het vers dat je wakker houdt, een leven tussen God en de pot, de charme van het Afrikaans en de bommen die Kortrijk spaarden.

Vorig jaar verscheen Het land van de handen, een autobiografie in brieven en dagboekfragmenten, waarin je vertelt over je West-Vlaamse wortels, over het Lijsternest van Stijn Streuvels, de Westhoek enz … Wat heeft er jou toe aangezet om dit boek te schrijven? Nostalgie?

Toen ik in 1994 het onderwijs in mijn hoedanigheid van leraar Nederlands vaarwel zei, kon ik meer tijd vrijmaken voor een behoefte die ik al geruime tijd voelde: ook eens andere genres te beoefenen dan dat van de poëzie, waar tot dan het grootste deel van mijn literaire aandacht naartoe was gegaan. Het autobiografische proza waaruit Het land van de wangen bestond, bood mij de opportuniteit om een aantal cruciale thema’s verder uit te diepen die ook in mijn poëzie al aan bod waren gekomen: de confrontatie tussen de waarden van het Westen van het land, met name het Kortrijkse, waar ik mijn roots heb en die van het Oosten zoals ik die had ervaren toen ik in 1976 naar Hasselt ben geëmigreerd. Zuid-West-Vlaanderen placht ik in het boek in kwestie ‘het land van de handen’ te noemen, het land dat van mercantilisme en de doem van het doen was doordrongen en waar je je bestaan moest zien te legitimeren door het neerzetten van een (liefst commerciële) prestatie. Mijn ervaring met Limburg, mijn nieuwe thuisbasis, was van een heel andere orde. Ik had toen ik er kwam wonen, namelijk in 1976, heel sterk het gevoel dat de profilerings- en prestatiedrang er een stuk minder dwingend was. Grosso modo kon je stellen dat, al is dit misschien een funeste veralgemening, West-Vlaanderen het land van de daad was en Limburg, in mijn boek ‘het land van de wangen’ genoemd, dus in zekere zin van de glimlach, het land van de droom. Natuurlijk veranderen de tijden. Inmiddels is met de voortgang der jaren het verlangen naar mijn West-Vlaamse bakermat weer aanzienlijk toegenomen, terwijl ik ermee opgehouden ben Limburg te idealiseren. Wel is de confrontatie tussen de beide polen gebleven. Er vindt in mij nog steeds een duel plaats tussen daden- en prestatiedwang enerzijds en een soort oblomowistische wil tot inertie anderzijds. De kwelling blijft dezelfde: waarom moeten mensen per se iets doen om iets te mogen zijn? Waarom kunnen wij zo vaak niet anders dan toegeven aan de dwingelandij van de ergotherapie. Is het dan al niet voldoende om in een zekere gelukzaligheid deel te nemen aan een bestaan waarvoor wij hoe dan ook niet zelf hebben gekozen?

Twee centrale vragen uit jouw laatste bundel Bakermat. Waar kom ik vandaan en waar ga ik naartoe? Onmetelijke vragen. Een deel van het antwoord vind ik in het gedicht ‘Ruimtereis’. ‘Maar net was ik erin geslaagd mij uit de eeuwigheid te wurmen die nog vol warme truien en donsdekens lag, en bibberend begaf ik mij in het sombere portiek waarachter niemand minder dan mijn moeder hokte.’

Ik kon deze moeder in dit gedicht niet helemaal los zien van de andere moeders uit de bundel Garderobe. ‘… Zij zijn van overdosissen voorzichtigheid vervuld, van levenslang et cetera, stupide stuwingen in buik en boezem. Fluorescente details, eeuwenoud van eenvoud: spermavlekken die zij stil, met dromerige ogen uit de lakens van hun zonen wassen,

meisjes die zij halsoverkop uit de vrouwen moeten wissen ...'

Dit gedicht getuigt van veel respect voor de offers die moeders brengen, voor wat ze moeten witwassen en uitwissen? Je gaat hier bewust voor het meervoud? Moeders. Geldt dit voor alle moeders?

Er zijn ook dragonders van moeders. Maar persoonlijk heb ik moeders en bij uitbreiding grootmoeders en vrouwen in het algemeen altijd als minder bedreigend ervaren. Autoriteit, repressiviteit, dominantie en agressie heb ik hoofdzakelijk aan mannen toegeschreven. Moeders associeer ik met geborgenheid, met een veilig onderkomen, althans in hun ideale verschijningsvorm. Ik denk dat mijn poëzie een poging is om een haast arcadische moederschoot te reconstrueren, waarin het prettig toeven is nadat wij bij de geboorte uit de echte moederschoot zijn verdreven. Tevens is die poëzie voor mij het middel bij uitstek om een toegangsticket te verwerven voor het buitenbaarmoederlijke bestaan waarmee wij het uiteindelijk levenslang moeten doen.

Van de moeder naar de vrouw is een kleine sprong. Hoewel ... Over het verschil tussen Mars en Venus schreef je in de bundel Dieven en geliefden - ‘Het geslacht’.

‘In mannen is het koud en vaak december. In vrouwen is het meestal mei.

...

In mannen is het oorlog, niets dan oorlog. In vrouwen wordt geboren, totterdood.’

Heerst de oorlogswinter in de man en de bloei in de vrouwen? Komen we van twee verschillende planeten of is het raakvlak groter dan de verschillen?

Het is echt geen afgebakende genderkwestie. Ik schep voor mijzelf duidelijkheid door bij wijze van simplificatie archetypes te scheppen, die min of meer op een communis opinio zijn gestoeld. Ik verklaar mij nader: ik ken mannen in wie datgene overheerst dat velen geneigd zijn als vrouwelijk te bestempelen en ik ken vrouwen in wie ijzeren mannen gevestigd zijn. En ik heb een cyclus gedichten gewijd aan Medea, de moeder die zich, om zich te wreken op haar ontrouwe man Jason, tot een monsterlijke moord op haar tweelingszoontjes laat verleiden, die in zichzelf zowel vrouwelijkheid als mannelijkheid hun gang laat gaan en mij tegelijk vertedert en doet gruwen. Louis Aragon schreef het al aan het eind van de Tweede Wereldoorlog: ‘Il n’y a pas d’amour heureux.’

Je schreef urgente, aangrijpende gedichten over de ziekte met de verboden naam. Beladen maar toch in zekere zin licht. Hier een kort fragment uit ‘Weegschaal’:

‘Wie wil, wie wil een stuk van haar? Laat mij een bril, een sjaal, één lok, maar laat mij iets.

Zij weegt nog alles met haar haar Kaal weegt zij niets.’

Het eindigt zonder gewicht. Het deed me onrechtstreeks denken aan de gewichtige titel De ondraaglijke lichtheid van het bestaan van Kundera, een roman die begint met de mythe van de eeuwige terugkeer van Nietzsche. Al kan je die vergelijking niet helemaal doortrekken. Is de dood een pluimgewicht? Wat zijn jouw bronnen van troost?

Ik ben in de gedichten uit de cyclus ‘K.’ inderdaad een gevecht aangegaan met de dood, op het moment dat het er voor mijn vriendin, die toen aan kanker leed en onder meer chemotherapie kreeg, helemaal niet rooskleurig uitzag: dokters gaven haar een overlevingskans van dertig procent. Uiteindelijk heeft zij de ziekte overwonnen. Maar in mijn verzen laat ik haar sterven, gedreven door een atavistisch bijgeloof dat mij soms dicteert dat, als je maar als in een mantra voortdurend het tegenovergestelde beweert van wat je gerealiseerd wilt zien, je dan inderdaad een mechanisme in gang kunt zetten dat de fatale afloop verhindert. Ik dacht: ik laat mijn lief in mijn gedichten sterven, dan hoeft zij dat tenminste in het echte leven niet meer te doen. Je zou kunnen stellen dat ik haar in mijn gedichten woord na woord afbrak om haar opnieuw op te bouwen en gedaan te krijgen dat zij weer solide in het leven kon staan. Het was een spel met begin en einde, enigszins verwant aan de theorie van Nietzsches eeuwige terugkeer, en in elk geval ging het om een bezweringsritueel. En ja, in dat ritueel stak ook die circulaire idee die zo belangrijk voor mij is: dat er niet zo gek veel verschil tussen begin en einde is. ‘The end is where we start from,’ schrijft T. S. Eliot. En J. C. Bloem omschrijft het leven als een periode waarin het tussen twee stilten (bedoeld worden de eeuwigheden van voor de geboorte en na de dood) voor heel even luid is. Ik ben op dit ogenblik van mijn schrijverij intensiever dan ooit op mijn retour naar het begin. Mijn laatste dichtbundel, Bakermat, en mijn autogbiografisch proza dat vorig jaar onder de titel Het land van de handen verscheen, getuigen daarvan. In de dichtbundel die ik nu aan het schrijven ben, ga ik nog verder. Die gaat over wat aan onze verwekking voorafgaat en heet nogal toepasselijk Balts.

De Amerikaan Billy Collins schreef een gedicht getiteld ‘Advice to writers’. dat begint als volgt:

Even if it keeps you up all night, wash down the walls and scrub the floor of your study before composing a syllable.

Clean the place as if the Pope were on his way. Spotlessness is the niece of inspiration.’

Geldt dat voor jou ook? Is het schrijfproces de grote schoonmaak, een vorm van hygiëne?

Ik mag dan al enkele autistische trekjes vertonen en een grote behoefte aan structuur hebben, zo ver zou ik het niet drijven. Wel ben ik al mijn hele schrijversbestaan gehecht aan het ritueel, waardoor ik ‘s avonds bijvoorbeeld op exact dezelfde minuut aan mijn bureau ga zitten en, ongeacht wat ik aan het schrijven ben, daar ook telkens op ongeveer dezelfde minuut mee ophoud en een kwartier later ga slapen, waarna het wel eens voorkomt dat ik onverhoeds opnieuw moet opstaan omdat een of ander vers dat zich door mij in de steek gelaten of veronachtzaamd voelt, alsnog in mij begint te blaten en mij niet met rust laat vooraleer ik het opgeschreven heb. De hardnekkigheid waarmee verzen zich soms als rustverstoorders gedragen, is niet te onderschatten. En ze houden er enkel mee op wanneer hun dichters hen gehoorzamen en van hen de garantie krijgen dat zij niet zullen worden vergeten.

Ik hoor veel muziek in je gedichten. Ze zingen van het blad. Natuurlijk zijn ritme en klank ook een belangrijk bestanddeel van de poëzie. Maar hoe schep je die muziek?

Doordat het gedicht soms slimmer is dan de dichter, beslist het soms zelf om zich in een bepaald plunje te hijsen. In mijn geval levert dit enige welluidendheid op als resultaat. De dichter die ik ben, is een gemankeerde zanger. Ik heb aan muzikaliteit altijd een soort erotische kracht toegeschreven en poëzie vergeleken met iets biologisch, een soort baltsgedrag waarvan ook vogels gebruikmaken om een partner te lokken. Op zijn minst is het schrijven van poëzie een daad van verbinding. Daarnaast heeft muzikaliteit in de poëzie een zekere mnemotechnische functie: zij ondersteunt de onthoudbaarheid van het vers. Ik heb altijd een zwak gehad voor regels die blijven hangen en in mijn geval maken zij daartoe vaak gebruik van een muzikale coloratuur waarin veel gebruik wordt gemaakt van assonantie, alliteratie en af en toe ook rijm.

Tijdens de pandemie was de haarzorg een veelbesproken nieuwspunt van kapitaal belang. Open de kapsalons en het land herademt. Voor zover dat mogelijk is achter een mondmasker natuurlijk. In dat verband verwijs ik graag naar de volgende strofe uit het gedicht ‘Kapper’.

‘Mijn kapper zwijgt zo traag dat hij zich peinzen hoort en vraag na vraag welt pijnlijk in hem op. O, alle vragen die hij mij niet stelt.’

Wat weerhoudt er ons van om de vragen te stellen die er toe doen? En welke pijnlijke (onwennige) vragen worden dan vermeden?

De vragen die ertoe doen zijn die over de waarheid en de finaliteit van ons bestaan. De waarheid is onleefbaarder dan de leugen, omdat zij ons kwetst en ons met de neus op onze toekomstige nederlaag drukt: de dood waarvoor wij evenmin hebben gekozen als voor onze geboorte..

Wat ik ook vaak ook terugvind in jouw gedichten wordt weerspiegeld in de titel van jouw essaybundel Ik wil de hemel en ik wil de straat. Het paradijs en de goot. Maar ook het lichaam en de geest. Zoals dikke mensen experten van de liefde worden, tot in de meest verloren uithoek van hun lijf, de katakomben van hun vlees. Zoek je dat contrast bewust op? Schuilt er schoonheid in die uitersten?

Of er per se schoonheid in uitersten schuilt, weet ik niet direct. Wel is het inderdaad een feit dat ik mij, om het metaforisch uit te drukken, een leven leiden ‘tussen God en de pot’, zoals ik dat in Het land van de wangen heb uitgedrukt. Toen ik nog een adolescent was had ik de neiging om er een door dichtomie getekende levensvisie op na te houden: het bereikbare aardse stond er pal tegenover het vergeestelijkte en het etherische dat per definitie onbereikbaar was. Het eerste lieerde ik aan een begrip als ‘begeerte’, het laatste aan ‘verlangen’. Naarmate ik ouder werd zijn die twee entiteiten naar elkaar toe beginnen te groeien. Met op de huidige dag misschien zelfs een dominantie van het aardse. De sentimenten en de romantische verzuchtingen van de adolescent die ik geweest ben, mogen dan al gebleven zijn, de sfeer van het abattoir is zich ermee komen vermengen.

Een ander contrast vind ik terug in jouw stadsgedicht over Kortrijk. Waar het mededogen volgt op de afkeer. Strijdige gevoelens.

(fragment)

‘Kom, lieve bommen, val op Kortrijk. Niet omdat ik daar ontstond tussen Walle en station, uitgerust om op te krassen,

maar daar in Kortrijk wezens wonen met trage tranen en met snelle winden, muffer dan -eertijds- het rotend vlas in het gouden water van de Leie.

En daar in Kortrijk mannen wonen met schuine moppen, met centen die kloppen in hun te diepe, haast diepzinnige zakken.’

Aan het einde schenk je de stad toch genade: ‘Spaar Kortrijk maar’. Ik weet niet hoe de toenmalige burgemeester van Kotrijk deze lofzang onthaald heeft en of je daarna nog welkom was in de stad van het vlas en de Gulden Sporenslag. maar ik vraag het toch maar. Heb je een haat / liefde verhouding met Kortrijk?

Het gedicht heeft destijds inderdaad voor een zekere opschudding gezorgd tot in het schepencollege. Voor zover ik weet omdat men van mening was dat ik met die bommen refereerde aan wat tijdens de Tweede Wereldoorlog met de stad is gebeurd. Maar het was me helemaal niet om die bombardementen te doen. Mijn gedicht was gewoon geïnspireerd op een bekend gedicht van de voormalige Engelse Dichter des Vaderlands John Betjeman die iets soortelijks over zijn geboortedorp heeft geschreven: ‘Come friendly bombs and fall on Slough.’ Uiteraard lag het niet in mijn bedoeling een pleidooi voor de vernietiging van Kortrijk te houden. Wel wilde ik afrekenen met het doorgedreven mercantilisme dat daar heerste en waaraan ik volkomen vreemd was. Aan het eind van mijn gedicht wordt Kortrijk inderdaad gespaard, maar precies vanwege het mededogen met diegenen die er ook wonen, die het niet gemaakt hebben en toch hun slakkengangetje in het leven moeten blijven gaan, ook als zij worden omringd door wezens die van een fortuinlijker lot mogen genieten.

Recent werden 50 gedichten van jou vertaald naar het Afrikaans door Hennie van Coller in de bundel Weerbare weemoed. Nu ben ik zelf wel een liefhebber van Antjie Krog en de humor in het Afrikaans. Een korte bloemlezing uit hun woordenboek. een muurprop (stopcontact), de robot (stoplicht) de slimfoon (smartphone), moltrein (metro), sponskoek (cake) enz … Ook bij jou vind ik vaak die humor of het vermogen tot relativeren vaak terug. Kan je iets meer vertellen over dit Afrikaans project? Hoe kwam dit tot stand?

Ik heb hoe dan ook altijd al iets met het Afrikaans gehad. Het is een taal die meer met strelen dan met spreken gemeen heeft. In het verleden ben ik op diverse festivals in Zuid-Afrika te gast geweest. En naar aanleiding van Bandelose Gedigte, een vroegere bloemlezing met gedichten van mijn hand die Hennie Van Coller naar het Afrikaans heeft vertaald, heb ik destijds ook een tournee door het land gemaakt langs verschillende universiteiten waar Neerlandistiek onderwezen wordt. Het contact met mijn vertaler is ook daarna blijven bestaan, niet enkel op het louter professionele vlak, en op zekere moment liet zich bij hem de behoefte voelen om ook mijn recentere poëzie, zoals te vinden in de bundels Lagerwal (2008), Wijvenheide (2012), De eindelozen (2015) en Bakermat (2018), te vertalen. Het resultaat van onze samenwerking is dus Weerbare weemoed geworden, titel die mijn vertaler heeft bedacht en die bij mijn dichterlijke intenties past en bij het besef dat mensen weliswaar bestemd zijn voor de slacht, maar zich daar best scheldend kunnen tegen teweerstellen.

meer lezen

interview: Wim Vandeleene

steering_wheel-512_edited_edited.png