• Steven Van Der Heyden

Wat ons in het netvlies drukt

In gesprek met Moya De Feyter


foto: Sebastian Steveniers

Moya De Feyter debuteerde als dichter in 2018 met Tot iemand eindelijk. Een jaar later publiceerde ze Massastrandingen, een caleidoscopische bundel waarin de destructie van onze leefomgeving centraal staat. Ze won er de prestigieuze J.C. Bloem poëzieprijs mee. Ze staat graag en veel op het podium en is oprichter van de klimaatdichters, een Vlaams-Nederlands dichtersverbond dat met poëzie in al haar verschijningsvormen strijdt voor een klimaatvriendelijkere wereld. Daarnaast maakt Moya videogedichten en is er nu Een heel dun laagje. Het werd een crossgenre, een poëtisch, filosofisch en persoonlijk onderzoek naar licht in al zijn vormen.



Jouw nieuwste boek werd een crossgenre, was dit nodig om licht in al zijn aspecten te benaderen?


Ik heb weinig interesse in de opdeling in literaire genres. Ik werk heel instinctief, ik laat een vorm natuurlijk ontstaan, en vaak bevindt die zich uiteindelijk dan tussen de geijkte vormen. Opeens was ik korte stukjes tekst aan het schrijven die ik net zo goed ‘korte stukjes tekst’ had kunnen noemen, maar ik begrijp dat dat voor uitgevers en boekhandels toch te vaag en vrijblijvend klinkt. Toen werd het ‘crossgenre’, omdat ze inderdaad tussen proza, essay en poëzie in zitten.

Je kunt over licht schrijven in elke mogelijke vorm, maar ik vond die stukjes fijn; klein, helder en bevattelijk. Dat was voor mij een nieuwe manier van schrijven, een heel lichte manier. Ik kon er speels en zoekend in zijn en van invalshoek veranderen wanneer ik dat maar wilde.


Is licht de noodzakelijke schakel voor de verbinding van levens en dat buiten tijd en ruimte?


Er zijn maar heel weinig organismen die kunnen bestaan zonder licht, dus de behoefte aan licht is in ieder geval iets wat planten, dieren en mensen, waar en wanneer ze ook leven, met elkaar delen. Het is een gemeenschappelijk verlangen, een diepe afhankelijkheid zelfs, want als de zon ermee ophoudt, stuikt alles ineen.


Is het een overdaad om te snakken naar het licht dat je over mensen wil uitstrooien?


Vind jij dat? 😉 Ik ben geen zuinige schrijver, dat klopt. Als ik op zoek ga naar licht, dan is dat niet om er van op een afstand een beetje naar te kijken. Nee, dan ik wil zo dichtbij mogelijk komen, erin zwemmen, het drinken en vervolgens delen, er andere mensen ook in laten duiken. Misschien vinden sommigen dat te veel van het goede, dat zou kunnen, maar ik weet niet hoe ik het anders zou moeten doen zonder in een andere schrijver te veranderen.


Als het donker zo vertrouwd is waarom de nood aan licht?


Het leven is altijd een dans tussen het oude en het nieuwe, het vertrouwde en het vreemde. Mijn Massastrandingen is een geleidelijke aftakeling naar een grote catastrofe, dus daar moest ik uit zien te raken. Ik wilde niet in die wrakstukken blijven zitten, daarom heb ik het licht gevolgd.


Anderzijds is er de lichtvervuiling die het duister verdringt. Is licht dan nog een remedie om angst te bezweren? Of gaat vooral het duister ons toedekken onder een deken van geruststelling?


In mijn onderzoek naar licht kwam ik er op een bepaald moment achter dat licht, en dan vooral artificieel licht, ook allerlei dingen kapot maakt en dat wij mensen nauwelijks nog voeling hebben met het fysieke donker. Dus toen heb ik de omgekeerde beweging gemaakt en ben ik op zoek gegaan naar donkere plaatsen, letterlijk, door in een kast te gaan zitten of ’s nachts door een bos te lopen. Die ervaringen hadden altijd zowel iets heel engs – je bent opeens weerloos, aan je omgeving overgeleverd – als inderdaad iets geruststellends. Niet of minder zichtbaar zijn kan een heel bevrijdend effect hebben.


Als het licht zich niet in de buitenwereld bevindt maar in onszelf, zit er dan een dun laagje omheen of eerder een hard pantser?


Mensen zijn er goed in geworden hun licht te verstoppen, maar je hebt ook een stevig pantser nodig om het leven elke dag opnieuw aan te kunnen vatten, dus ik vind het niet zo gek dat we niet de hele tijd naakt rondlopen. Gelukkig hebben we de kunst nog, om af en toe iets open te breken.


In “Kluwen” lezen: “ we zijn een knooppunt van vergissingen, een knoop die steeds ingewikkelder wordt”. Een verwijzing naar de wijze waarop we met elkaar en de wereld waarin we leven omgaan?


Klopt. Je moet je hoofd erbij houden als je niet compleet wilt verdwalen, toch? Hoe is de mensheid erin geslaagd zoiets ingewikkelds te creëren?


Doorheen het boek maken we kennis met twee hoofdpersonages : “Kleur” en “Grootmoeder”

Kan je daar iets meer over vertellen?


Kleur is de liefde. Zonder Kleur geen licht, geen boek. Ze is ook medereiziger, klankbord en bron van bruisend leven. Kleur is nodig om de wereld in te kunnen trekken, om steeds ergens anders naartoe te gaan, steeds weer iets anders te zien, te ontdekken, in vraag te stellen. De grootmoeder vind ik lastiger om te omschrijven. Rouwen en zoeken naar licht zijn natuurlijk erg verbonden. Als je iemand verliest van wie je heel erg houdt, die blijkbaar – want soms weet je dat pas achteraf – een fundament was, dan kan het ontzettend donker worden. Ik heb gezocht naar een manier om die grootmoeder ook na haar dood zo dichtbij mogelijk te houden, zonder daarbij het licht te verliezen. Het heeft even geduurd, maar uiteindelijk kwam ik erachter dat ook iemand die overleden is en dus vaak vooral met pijn en verdriet en gemis wordt geassocieerd, toch een bron van licht kan zijn.


In “ Ceremonie” schrijf je : “ Ze weet dat ik op zoek ben naar licht, dat ik mijn best doe om te geloven in iets wat me is afgeleerd.” Hangt dit samen met jouw neiging om vast te houden aan ceremonies?


Vasthouden is niet het juiste woord want er zijn nauwelijks ceremonies in mijn leven, maar ik verlang er wel naar en ik merk dat ik met de secularisering, die ik rationeel nochtans toejuich, toch iets mis. Dat ik bepaalde dingen – bijvoorbeeld rouwrituelen – van niemand heb geleerd. Dat er ergens een hiaat is dat ik met taal, want dat is het enige dat ik ter beschikking heb, probeer op te vullen.


Mondjesmaat wordt doorheen het boek een wringende moeder- dochter relatie belicht, iets wat ontbloot moest worden?


Ik denk dat de meeste moeders en dochters een beetje wringen, dat dat misschien zelfs zo hoort? Ik weet het niet. Een vader-dochterrelatie en een moeder-dochterrelatie zijn in ieder geval twee compleet verschillende verhoudingen, en in mijn ervaring is er altijd meer wrijving in die tweede. Maar soms leidt die wrijving natuurlijk tot interessante inzichten.


In onder meer “ Verstilde stemmen” sijpelt het DNA van de klimaatdichter door, in hoeverre is deze nog los te koppelen van de dichter, schrijfster?


De toestand van onze planeet speelt voor mij een belangrijke rol in dit boek en ook in vrijwel alle gedichten die ik de afgelopen jaren geschreven heb. Dat komt omdat de realiteit zo dwingend is, maar soms heb ik het nodig om net niet over het klimaat te schrijven, niet weer over een uitgedroogde zeeschildpad. Dan maak ik een klein, hyperpersoonlijk liefdesgedicht, kruip ik in de huid van een historisch personage of schrijf ik een absurde dialoog, en dan kan ik er weer tegen aan. Ik denk dat ik soms ruimte en afstand nodig heb om het hele grote in verband te blijven brengen met het hele kleine. Als je die niet samen krijgt, kun je geen verbinding creëren.


Als kleuren een klank hebben, heeft licht dan ook een stem? En hoe complementair zijn kleur en klank voor jou?


Soms hoor ik licht spreken of zingen in poëzie, bijvoorbeeld in het gedicht van Leo Herberghs, waarvan ik een fragment als opdracht heb gebruikt. Als ik schrijf bestaan er in mijn hoofd weinig strikte opdelingen, weinig grenzen, niet tussen literaire genres, maar ook niet tussen kleuren, klanken, woorden of geuren. Als ik echt op dreef ben, vloeit alles in elkaar over. Dat zijn de beste momenten.


Kan je zorgen voor een schaduw?


Ik hoop het! Misschien moeten we het nog leren.


Jouw zoektocht naar licht lijkt een ode te zijn aan het ontembare, de chaos die overal intrinsiek aanwezig is, klopt dat?


Vrij laat in mijn onderzoek ben ik op de chaostheorie gestuit. Dat was moeilijk, want ik heb heel weinig wiskundig inzicht, maar op een diep menselijk, bijna mythologisch niveau voelde ik me heel erg tot dat concept van intrinsieke chaos aangetrokken. Het was zeker een soort opening, een nieuwe weg waarvan ik niet wist dat die bestond, een weg die zich veel dichter bij de poëzie bevond dan de andere kennisgebieden waar ik me tot dan in had verdiept. Maar ik zou het eerder een weg noemen dan een ode, denk ik. Het is een manier om ergens anders te kunnen komen.


Heeft het schrijven van dit boek je dichter bij het licht gebracht? Zo ja, wat is de impact hiervan op je leven?


Dat is de vraag natuurlijk! Ik heb er in ieder geval een hele tijd omheen gedanst. Het was fantastisch om ‘licht’ gedurende enkele jaren als focuspunt te hebben. En ik ben minder bang voor het donker nu, want ik begrijp waarom het er is.


Tot slot, wat mogen we van jou nog verwachten in 2022?


Ik duik weer even de poëzie in. Na zo’n groot werk is het fijn om op één blad papier te kunnen schrijven, zonder na te denken over wat er op de vorige of de volgende bladzijde moet komen. Verder staat er een grote samenwerking met CCHasselt op til, maar ik houd nog even geheim wat dat precies betekent!




Interview : Steven Van Der Heyden







  • Facebook