• Roer

Volmondig ja

In gesprek met Johan Clarysse




Over de embryonale gedachte, kijken als daad en twijfelzucht


Johan Clarysse is beeldend kunstenaar en schrijft gedichten. Hij stelde tentoon in galeries en musea in binnen- en buitenland, onder meer in Parijs,Gent, Brussel, Keulen, Amsterdam, Peking en New York. Sinds kort heeft hij z'n passie voor poëzie opnieuw leven in geblazen. Hij publiceerde gedichten in onder andere 'Het Gezeefde Gedicht', 'De Schaal van Dighter', 'Roer' en in 'De 100 beste gedichten'(Prijs de Poezie 2022). In 2021 werd hij laureaat van de VTB Holsbeek Poëzieprijs en nam hij deel aan het poëziefestival 'Poëzie in de Pastorie' (Kapelle-op-den-Bos ).


Naast dichter ben je tot nu toe vooral ook beeldend kunstenaar. Daar is het mee begonnen. Je stelt vaak tentoon, ook buiten de grenzen. Hoe is dat gegroeid?


Als schilder heb ik reeds een hele weg kunnen afleggen en een plaats verworven in het bonte landschap van de beeldende kunst in Vlaanderen. Als dichter ben ik debuterend, zoek ik volop mijn weg nog. Ik ben gedichten en dagboeknotities beginnen schrijven toen ik in Leuven aan de unief studeerde. In die periode werden enkele gedichten gepubliceerd in tijdschriften als Yang, Poëziekrant, Wel en in bloemlezingen van de Prijs Vlaamse Club Brussel. Na mijn studies aan de academies voor beeldende kunst in Leuven en in Brugge, werd ik vader van twee zonen, startte ik met halftijds werken en heeft de schilderkunst mij in die mate opgeslorpt dat er nog weinig tijd restte voor het schrijven. In vlagen dook het weer op. De schrijver in mij heeft zich wat verwaarloosd gevoeld maar eist de laatste jaren terug de volle aandacht op.


Ik zie veel raakvlakken tussen poëzie en schilderkunst. Ze beïnvloeden mekaar ongetwijfeld wederzijds maar hoe die beïnvloeding precies loopt is moeilijk uit te leggen. Als een vogel precies kon zeggen wat hij zingt, waarom hij zingt en wat het in hem is dat zingt, zou hij niet meer zingen, dixit Paul Valery. Het beeld is 'de muziek van het denken' hoorde ik onlangs een dichter op de radio beweren. Ik geloof ten volle in de kracht van het beeld en de diepe communicatie die dat mogelijk maakt. Schilderijen en gedichten werken met beelden, ze hebben veel gemeen maar het materiaal waarmee ze werken is wezenlijk anders. Waar de schilder werkt met verf en kleur en licht is het materiaal waarmee de dichter werkt de taal. Goede schilders onderzoeken steeds de mogelijkheden en beperkingen van hun medium, goede dichters doen dat ook. Kunst is voor mij wezenlijk expressie én onderzoek.

Om Kopland te parafraseren, ik schilder beelden die op een heldere manier raadselachtig willen zijn, beelden die suggestief zijn én een zekere weerbarstigheid in zich dragen. Ik wantrouw beelden die van iedere dubbelzinnigheid zijn verstoten. Hetzelfde beoog ik in mijn gedichten. Een van de belangrijkste stijlmiddelen in poëzie voor mij is beeldspraak. Ik zoek naar beelden en metaforen die niet hapklaar zijn en die voldoende betekenisruimte laten. Ik vermijd zowel vrij hermetische als direct verstaanbare gedichten. Ook daarin vormen mijn schilderijen en gedichten één front. Of ik nu kies voor een gedicht of een schilderij, wat ik maak wil steeds een overwinning zijn op zijn eigen onderwerp. Zowel sterke schilderijen als sterke gedichten verleiden én verwarren. De twee extremen op het continuum zijn niet mijn ding, maar daartussenin kan veel mij boeien.


Zijn er ook analogieën in het creatieproces?


Qua werkwijze en opbouw zie ik inderdaad veel parallellen. Er is een embryonale gedachte, een startbeeld of een startregel en er ontwikkelt zich een proces dat deels oncontroleerbaar is en alle kanten uit kan. Het eindresultaat is nooit vooraf bepaald en wordt vaak iets dat mezelf verrast. Het schilderij schildert zichzelf, de schilder is het medium. Ook het gedicht schrijft zichzelf met de dichter als medium. Beelden dringen zich associatief op terwijl je aan het schrijven bent. Ik zie mijn schilderijen en gedichten als een poging om greep te krijgen op mezelf en de wereld om me heen, om in het geval van een gedicht met de juiste woorden de complexiteit te laten glanzen, de complexiteit van onze verlangens, gedachten, liefdes, levensverhalen. Ik schilder en schrijf vanuit een innerlijke noodzaak. Al besef ik dat dat op zich nog geen goed gedicht maakt. Het gaat er vooral om woorden en beelden te vinden die elkaars aanwezigheid nodig hebben om een goed gedicht te zijn. De wetenschap en de ervaring dat die poging maar gedeeltelijk lukt drijft me ertoe om steeds opnieuw ermee verder te gaan.


UIT EIGEN WERK


In zelfhulpgedicht zet je de bakens uit. Een fragment:

Laat het graf voor wat het is, een kale zerk

waarop je picknicken kan of huilen

en herinner je de levenden

nu ze aan je zijde staan.


Is het graf iets wat je makkelijk naast je neer kan leggen? De grafsteen wordt picknicktafel. Ben je een bon vivant? (Wat verderop verwijs je naar de baadsters van Bonnard? Een schilder die je ook buiten de context van dit gedicht als voorbeeld neemt? Wat is er zo bijzonder aan die schilderijen dat ze opduiken in dit gedicht als goed gezelschap?)


Je kan het gedicht met zijn ironisch bedoelde titel lezen als een oproep aan mezelf en aan de lezer tot meer 'bestaansviering' en tot meer buiten de lijntjes kleuren, omdat we straks allemaal vroeg of laat onder de grond of in het crematorium belanden. Mijn eindigheid is iets waarvan ik mij van kindsbeen af bewust ben. Kunst is voor mij een niet ophoudend gesprek met mijn eindigheid. Poëzie is een manier om dat met taal te lijf te gaan. Dat klinkt misschien pathetisch maar hoeft het niet te zijn. Hoe je omgaat met je eindigheid is een keuze. Mijn eindigheid is een bondgenoot en daagt mij uit. Zonder eindigheid geen erotiek, geen melancholie, geen kunst, geen zingeving. Dat onder ogen zien en omarmen werkt voor mij bevrijdend. Het staat voor een volmondig ja zeggen tegen de grootsheid, de nietigheid en de absurditeit van dit leven


Wat verderop verwijs je naar de baadsters van Bonnard? Een schilder die je ook buiten de context van dit gedicht als voorbeeld neemt? Wat is er zo bijzonder aan die schilderijen dat ze opduiken in dit gedicht als goed gezelschap?


Waarom een 'expresso in het gezelschap van de baadsters van Bonnard'? Omdat de schilderijen van Bonnard, althans deze waar ik van hou en waarin het motief van de baadster vaak terugkomt, die 'vitale melancholie' uitstralen. Wat mij fascineert in Bonnard is zijn rijke en gesofistikeerde kleurenpalet, zijn bijna mystieke omgang met kleur. Doordat zijn vrouw Martha aan smetvrees en een zenuwziekte leed moest ze veel baden en kuren. Bonnard heeft een 300-tal schilderijen van haar in de badkamer geschilderd. En de meeste daarvan blijven nazinderen. De overzichtstentoonstelling van Bonnard in Parijs een paar jaar terug was gewoon overweldigend. Voor mij is hij één van de groten. Als ze me ooit vragen welke overledenen mogen aanschuiven bij mijn droomdiner dan is Bonnard meer dan welkom naast pakweg schilders als Goya Tintoretto, Manet en Munch en van de dichters mogen zeker Menno Wigman, Vasalis, Rutger Kopland, Sylvia Plath en Tomas Tranströmer aansluiten.


Kijken is een daad draag je op aan de schilder Edvard Munch. In welke zin is kijken een daad?

Claude Monet zei over kleuren en vormen dat je ze beter kan vergeten. Zijn advies was: schilder exact wat je ziet, zoals jij alleen ze ziet. Hoe beleef jij zelf kleuren en vormen? Strikt genomen is en kleur een golflengte van licht. Is het mogelijk om die vele facetten van licht ook over te dragen in taal? Hoe geef je kleur aan klank?


Actief kijken, kijken als daad leidt tot in-zicht, tot zien wat er in en achter een beeld zit. Dat volgens een onderzoek een bezoeker van een museum gemiddeld 11 seconden naar een werk zou kijken staat natuurlijk haaks hierop . Kijken als daad betekent vertraging. Pas dan zie je de letterlijke en figuurlijke gelaagdheid van een werk, kun je alle betekenissen lezen die er voor jou leesbaar in zijn. Ook poëzie nodigt uit tot traagheid, tot anders en opnieuw lezen, al is het maar door de witregels. Net zoals de lezer mede het gedicht maakt, maakt de kijker mee het schilderij. Het gedicht zelf is opgedragen aan Edward Munch maar het zou evenzeer een ander geliefd schilder kunnen zijn.


Claude Monet zei over kleuren en vormen dat je ze beter kan vergeten. Zijn advies was: schilder exact wat je ziet, zoals jij alleen ze ziet. Hoe beleef jij zelf kleuren en vormen? Strikt genomen is een kleur een golflengte van licht. Is het mogelijk om die vele facetten van licht ook over te dragen in taal? Hoe geef je kleur aan klank?


Monet is impressionist, voor mij de enige echte. Een impressionist is louter oog. De manier waarop Monet kijkt en schildert is één manier om met licht om te gaan. Licht en donker maken kleuren en vormen zichtbaar. Het licht zelf schilderen is onmogelijk, wel de suggestie van licht. Strikt gezien is licht in de schilderkunst pas belangrijk geworden sinds de Renaissance als middel om ruimte te duiden en perspectief te creëren.


Het uitbeelden van licht doet elke schilder op zijn manier. Ik laat mij daarbij graag inspireren door de schilderkunstige traditie. Denk maar het clair-obscur van Caravaggio dat voor een dramatisch effect zorgt , de unheimliche schaduwen in Rembrandts zelfportretten, het heldere daglicht dat binnenvalt door de ramen op het melkmeisje bij Vermeer en het kleurrijke licht dat naargelang de weersomstandigheden weerspiegelt in Monets 'les nymphéas'.


Met de opkomst van de fotografie is het lichtgebruik in de schilderkunst veranderd en ontstonden in sneltempo een hele resem 'moderne' kunststromingen. Van realistische weergave ging men naar impressie, gevolgd door expressie tot en met het zwarte vierkant van Malevich, dat een eindpunt leek, maar niet was. De schilderkunst is steeds als een feniks uit zijn as opgestaan. In de poëzie vind je gelijkaardige evoluties terug. Ik zie mezelf als een schilder waarbij ik kan putten uit en spelen met de verworvenheden van mijn voorgangers en daar een hedendaagse en persoonlijke toets aan geven. Als dichter beoog ik iets gelijkaardigs. Mede daarom vind ik het wenselijk en nodig andere, ook klassiekere dichters te lezen.en te herlezen.


Wat kleurgebruik betreft zie ik mezelf eerder als een tonalist dan als een colorist. Omdat mijn schilderijen vaak draaien rond psychologische kantelmomenten en een emotionele lading in zich dragen kies ik bewust voor sobere, niet primaire kleuren. Zo vermijd ik overstatement. Een kwaliteit die natuurlijk ook bij het schrijven van poëzie bepalend is. Onlangs schreef ik een gedicht over mijn voorkeurskleuren. Ik neem erin afstand van de zgn. primaire kleuren, houd een pleidooi voor wat ik noem 'grootstedelijke kleuren, kleuren uit de achterbuurten', gehuld in sjofele jassen en huizend in vochtige kamers. Geef mij maar Napelsgeel, grijze hond, sissend erts, kinky rood of assepoester roze.


Net zoals in muziek heeft ook elk gedicht een klankkleur. Dit kan romantisch, donker, vrolijk, scherp, lichtvoetig enz. zijn. Het gaat om de sfeer die een gedicht belichaamt. Het arsenaal aan stijlmiddelen waarover de dichter daartoe beschikt is voor mij grotendeels hetzelfde als in de schilderkunst: alles draait om beeldkracht, ritme, vorm, klankkleur, compositie, structuur, contrast...


De stofjas en het boek herinneren aan een dode in het derde gedicht. Rouw en gemis is een thema dat vaak terugkeert in poëzie. Wie of wat wordt hier gemist?


Het gedicht maakt deel uit van een cyclus vadergedichten, waarvan er een aantal eerder zijn gepubliceerd in Het Gezeefde Gedicht. De stofjas waarvan sprake trek ik aan telkens ik in het atelier ga werken. Het gedicht dat vertrekt van een reële ervaring, is een eerbetoon aan mijn vader, die ik zowel rechter als vriend noem. Zoals dat vaak het geval is met vaders of met identificatiefiguren in het algemeen is de relatie ook in dit gedicht ambivalent gekleurd.


Poëzie is de erkenning dat de werkelijkheid ons ontsnapt en soms ongrijpbaar is. Gemis, vergankelijkheid, het tekort eigen aan onze menselijke conditie is een eeuwenoud en steeds terugkerend onderwerp in gedichten. Velen hebben er al over geschreven maar dat belet me niet om het ook op mijn specifieke manier en in mijn specifieke taal te willen doen. Het tekort dat zich toont in de tussenruimtes op de schilderijen van Morandi, in het gras dat droog staat in de zomer, in het woord dat op zijn grenzen stoot, in de stilte die is uitgepraat, in herinneringen die krimpen en verdwijnen...Poëzie is in de eerste plaats een spel met taal en de grenzen van taal aftasten, maar ik hoop dat iets van de verstilling, de verwondering, de ontroering of de troost die vorm krijgt tijdens het schrijfproces van het gedicht op de lezer overslaat.


SAMENSPRAAK


Als antwoord op citaten en fragmenten.


Bijna nooit

Bijna nooit zie je een vogel in de lucht zich bedenken, zwenken, terug.

Judith Herzberg - uit: Dagrest (1984)


Judith Herzberg is een dichteres die zegt dat ze voor het schrijven van een gedicht een vuist moet ballen in haar hoofd. Ze schrijft over ogenschijnlijk banale, vrij herkenbare zaken in een heldere taal, maar geeft daar een draai aan , een twist die de dingen bijzonder maakt. Het is vooral die vertaalslag die mij fascineert. Bij deze versregel zijn vele associaties mogelijk. Een ervan is de simpele vaststelling dat mensen anders zijn dan vogels. Het doet mij denken aan het citaat van Nietzsche dat 'de mensheid een ziek dier is'. Doordat de mens alles wil begrijpen met z'n verstand, drijft hij weg van de band die dieren met de aarde hebben. Aan de andere kant is hij, dank zij zijn vermogen tot reflectie en zijn verbeelding, in staat tot grootse dingen creëren, kan hij ambitieuze plannen maken, kathedralen bouwen en onvergetelijke gedichten schrijven. Maar evenzeer slaan zijn gedachten erdoor op hol, raakt hij de richting kwijt, vervalt hij in twijfelzucht, moet hij zwenken of terugkeren...


Schoonheid treft de mens met het besef een broodkruimel te zijn op de rok van het universum – Lucebert


De mens, die zich het centrum van de schepping waant, is een nietig wezen gezien vanuit het perspectief van de kosmos. Als ik het zo zeg, klinkt het als een cliché, als je het verwoordt zoals Lucebert hier doet, krijgt het cliché vleugels. Voor mij is deze prachtige en terecht vaak geciteerde versregel, een oproep tot meer ontologische nederigheid. Het is een sterk beeld, ik wou dat ik het geschreven had. Het is ook een mooi voorbeeld van hoe je in een gedicht dingen gaat verbinden die ogenschijnlijk weinig met elkaar te maken hebben, maar precies daardoor ontstaat er een vonk, komt er een soort energie vrij, waar ik zelf alvast enthousiast van word.


Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is – K Schippers


Schippers is een dichter die zich afzet tegen de barokke taal van de Vijftigers en kiest voor eenvoudige observaties in een eenvoudige taal. Dit is geen vers die mij van mijn sokken blaast maar het verwoordt wel iets wat ik volmondig beaam. Niets is saai wanneer je er lang genoeg naar kijkt. De maan bijvoorbeeld, een taboewoord in de hedendaagse poëzie, wordt. een verweerd gezicht, een spiegel, een kiezelsteen als je het juist gebruikt in een gedicht. Ze kan woest zijn, duister, wassend, helder, lieflijk troosteloos. De werkelijkheid krijgt meer reliëf, nuance, kleur, perspectief als je goed om je heen kijkt. Dichters en schilders zijn goede observators. Invloed is er overal en op elk moment. Ook als je dit vers ideologisch leest klopt het. Waarheid -voor zover die bestaat- heeft vele kleuren en is voor een dichter altijd voorlopig, hypothetisch en perspectivistisch. Ik huiver van zwart-wit denken en mensen die de waarheid in pacht menen te hebben. Poëzie is daar volgens mij een krachtig antidotum tegen.


TOT SLOT


Wat ligt er nog voor de boeg in 2022?


De komende maanden staan er individuele tentoonstellingen in Gent en in Arnhem op het programma. Ik plan een nieuwe monografie over mijn schilderwerk van de laatste zeven jaar. Verder veel lezen, schrijven en schrappen . Ik maak momenteel deel uit van een Brugse groep dichters die elkaars werk lezen en becommentariëren en wil dit in het komende jaar verder zetten. Een debuterend dichter heeft feedback nodig. Ik heb er onder andere geleerd dat poëzie niet altijd poëtisch hoeft te zijn, dat de dichtkunst onmisbaar is maar dat we alleen niet weten voor wie en dat 'goede dichters dieven zijn die stelen van andere dieven' (Wigman). Verder stel ik mij tot doel af en toe gedichten te publiceren in literaire magazines of tijdschriften .Ik constateer immers dat ik me meer dichter ga voelen door de weerklank die ik krijg: een publicatie in een tijdschrift, een prijs, reacties van collega-dichters. Tot slot zie ik er,zoals vermoedelijk elk dichter, naar uit om een uitgever te vinden voor mijn debuutbundel zodra ikzelf en mijn gedichten er rijp voor zijn.



gedichten


Zelfhulpgedicht

Kijken is een daad

Stofjas




interview: Wim Vandeleene