• Erwin Mortier

Van spreken ben ik het schrale sacrament

Steven Van Der Heyden in gesprek met Erwin Mortier.


Omdat ik verknocht ben aan de suggestieve taal van Erwin Mortier. Omdat tijd zich af en toe laat zien in het realiseren van dingen die je hard wil, los van het feit dat 20 jaar schrijverschap nooit onopgemerkt blijft.


Over het schoonwassen van woorden en de betekenissen die ze aangaan,

hoe taal een vorm van materie is waarin je kan kneden en boetseren.”


foto: Stephan Vanfleteren

We kennen jou als een literaire kameleon maar hoe verhoudt de dichter zich tot de schrijver van romans, essays, columns en theaterteksten?


Voor mij zal de dichtkunst altijd de bron van alle schrijven zijn. De poëzie, dat is het bad van eeuwige jeugd. Het woord kan er zich als het ware in schoonwassen en betekenissen aangaan. Poëzie heb ik nooit in de eerste plaats als een kwestie van vorm ervaren, maar veeleer het hoorbaar maken van de resonantieruimte van de taal. Mijn taal zal dus, ongeacht de vorm, altijd wel doortrokken zijn van het poëtische.


Je hebt een sterk ontwikkeld zintuig voor esthetiek, je zoekt naar schoonheid in taal en beeld. Beiden lijken complementair. Laat beeldende kunst een echo van woorden leven achter de ogen van een dichter?


Ik ben altijd zeer gevoelig geweest voor de beeldende kunsten, zeer zeker de schilderkunst. Ik hou van schilderijen waarin iets in de materie, de verf, ‘gebeurt,’ zoals bij Permeke of Rembrandt. Of hoe Velazquez in Las Meninas, het plooienspel van een van de gezelschapsdames van de Infante, met een paar penseelstreken tot leven weet te brengen, of hoe Van Eyck met een kerf van penseelstok leven brengt in een juweel of de textuur van brokaat, dat kan me zeer ontroeren. Ook het coloriet van pakweg Richard Dieberkorn of John Keith Vaughan, vind ik zeer fascinerend en inspirerend. Niet voor niets spreekt Hélèna, de vertelster in Godenslaap, haar liefhebbende jaloezie uit jegens de schilderkunst: “Natuurlijk was ik jaloers, en ik ben het nog steeds. Jaloers op de schilders, op hun woordenschat van coloriet. Jaloers omdat ik de taal niet kan fijnstampen in een mortier en naar goeddunken vloeiend of pasteus kan maken door er olie doorheen te mengen, noch een nieuwe kleur kan scheppen door wat poeder van het ene woord aan wat poeder van het andere toe te voegen. Jaloers ook, omdat er geen taal bestaat waarmee je eerst een ondergrond kunt aanbrengen, die door het kleurenweefsel dat je erbovenop legt heen blijft schemeren. Jaloers omdat ik een taal zou willen die geen betekenis draagt, maar bovenal intensiteit, een betekenis die aan de betekenis ontstijgt, en die je niet zozeer zou moeten lezen, als wel bezien, met de geletterdheid van het oog, de eruditie van het netvlies.”


Is taal dan ook een manier om vormen te vullen?


In mijn teksten zoekt voor een deel de vorm zichzelf, vanuit de taal. Ik probeer altijd te achterhalen wat een vertelstem probeert te bereiken. Bij Godenslaap kwam oorspronkelijk na de eerste zinnen, ‘Ik heb altijd gehuiverd voor de daad van het beginnen. Voor het eerste woord, de eerste aanraking. De onrust wanneer zich de eerste zin moet vormen, en na de eerste de tweede. De onrust, en de opwinding, alsof je de wade wegtrekt waaronder een lichaam rust: slapend, of dood,’ de passage over Hélèna’s moeder: ‘Toen ik nog jong was riepen zulke dromerijen steevast de ergernis op van mijn moeder, als ik zo onwijs was ze haar te vertellen.’ In het boek zit daar nog een hele passage tussen. Ik schrijf ook altijd in handzame schriften en laat de linker bladzijde blanco, zodat de tekst al zoekende dieper kan grijpen. Natuurlijk heb ik een globaal beeld voor ogen van de vorm en compositie van een verhaal, maar onderweg kan en mag er nog veel gebeuren. Ik wil van mijn romans, en ook wel van de poëzie, dat ze een wereld op zich oproepen voor de lezers, met zijn eigen dampkring en natuurwetten.


Voor “Engelenkeel” ging je in dialoog met het beeldend werk van Berlinde De Bruyckere voor de gelijknamige expo in het Bonnefanten museum te Maastricht. Haar werk is verhalend en poëtisch, een zoektocht naar essentiële menselijkheid met aandacht voor de betekenis van lijden, lichamelijkheid, de impact van tijd… niet toevallig ook thema’s binnen jouw oeuvre. Zijn deze raakvlakken een noodzaak voor jou?


Berlinde en ik kennen elkaar al jaren. Naast haar werk waardeer ik ook haar toewijding aan haar werk, haar integriteit. Daarnaast is ze ook nog eens een levenslustige, goedlachse vrouw, wat je in haar werk niet meteen zou zien. Ik was dan ook heel blij toen ze me het afgelopen jaar vroeg om in tekst te associëren op de engelenfiguren die ze begon uit te werken. Ik leverde tekst en ging geregeld in haar atelier kijken, wat dan weer tot nieuwe tekstassociaties leidde. Ze zei me dat ze mijn teksten liefst groot afgeprint aan de muren van haar atelier had gehangen, dat vond ik een groot compliment. Over ‘De Onbevlekte’ zei ze: ‘Soms lijk het wel alsof ik in dat boek mijn werk lees.’ Hoe ze omgaat met materie, treft me natuurlijk ook zeer, omdat voor mij taal ook een vorm van materie is, bijna tastbaar, waarin je kneedt en boetseert. Zulke raakvlakken zijn niet zozeer een noodzaak, ze laten vooral zien dat we als kunstenaars elk op onze manier rond de mysteries van leven en dood cirkelen, rond, transfiguratie en dat ongrijpbare ‘iets’ dat ik gemakshalve transcendent noem, dat boven de materie op zich ontstijgt. Het leven is altijd ‘meer’, en dat ‘meer’ probeert de kunst te vangen.


Is poëzie voor jou een middel om tijd te vertalen? M.a.w. om tijd een stem te geven?


In de zin dat poëzie ook oor heeft voor klankkleur, ritmiek, het muzikale wel. Muziek probeert ten slotte de tijd betekenis te geven, hem heel even anders te laten verlopen. Vergelijk het ook met architectuur, bijvoorbeeld hoe in een kathedraal de gewelven de oneindigheid van de ruimte indelen en een eigen ritmiek meegeven.


Uit een dubbelinterview met Chris Lomme voor Zomernachtsessies 2013 deed je de volgende uitspraak : “ Bij mij voelt het alsof de dingen van me wegtollen zodra ik ze begin te verwoorden. Dat is wat taal doet voor mij.”

Is taal dan een manier om afstand te scheppen eerder dan een manier van bewaren?


Ik heb altijd een gezond wantrouwen gekoesterd tegen de intussen platgetreden zinsnede dat poëzie de aller-individueelste expressie zou zijn van aller-individueelste emotie. Een andere observatie, van John Keats: ‘Wat betreft het Poëtische Personage zelf (ik bedoel de soort waarvan ik, zo ik al iets ben, lid ben…) het is zichzelf niet – het heeft geen zelf – het is alles en niets – het heeft geen karakter – het geniet van licht en schaduw; het leeft in genot, of dat nu grof of fatsoenlijk is, hoog of laag, rijk of arm, laag bij de grond of verheven. Wat de deugdzame filosoof choqueert, behaagt de kameleontische dichter. Het doet niet meer kwaad door het behagen dat het schept in de duistere zijde van de dingen dan door zijn voorkeur voor de lichtere, omdat ze beide tot bespiegeling leiden. Een dichter is het meest onpoëtische van alles wat er bestaat, omdat hij geen Identiteit bezit.’ Eigenlijk verwoordt hij hier de gesteldheid van de moderne poëzie. Echo’s daarvan vind je bijna overal, bijvoorbeeld bij Milosz vaststelling hoe moeilijk het is om één en dezelfde persoon te blijven, ‘want ons huis staat altijd open, er zitten geen sleutels op de deur, en onzichtbare gasten komen en gaan naar goeddunken.’ Of bij Woolf: ‘‘Ik word oud – ik word vijftig volgend jaar, en ik begin meer en meer te voelen hoe moeilijk het is om mezelf in één Virginia samen te brengen.’ De personae van de dichter is dus in wezen een vorm van ontvangstkamer, waar de echo van de wereld en ons onvatbare zelf welkom zijn, en dichten komt in feite neer op het teruggeven van die echo in een taal, die, dat moeten we wel bekennen, hoogstpersoonlijk is.


In “Precieuze Mechanieken”, jouw jongste dichtbundel, valt op dat je toch wel een nieuw taalregister opent, ruwer en directer, waarom deze keuze?


Eigenlijk zijn het meer de verzen die dat register dicteren dan dat het een bewuste keuze is. Zoals ik al zei: ik probeer wat ik schrijf altijd ook te beluisteren en weer te geven wat het wil zeggen. In de Mechanieken klinkt wat dat betreft zeer zeker een taal door die ruiger of van meer verontwaardiging doortrokken is


Uit “Ik schrijf in de nacht” een gedicht uit diezelfde bundel citeer ik : “Aan mij de drift tot verstomming. Van spreken ben ik het schrale sacrament.” Een pleidooi voor meer stilte? Om maatschappelijke toxines zoals haat, racisme en polarisering de mond te snoeren?


De poëzie moet op zich niet te veel pleidooien houden, maar spreken of fluisteren zoals ze zelf wil. Als ze daarmee tegen de huidige schreeuwcultuur ingaat, is dat mooi meegenomen, maar ze gaat haar eigen weg. Als de politiek de kunst van het mogelijke is, dan is de kunst misschien wel de politiek van het onmogelijke. Ik hoop dat er uit mijn verzen, en ook uit de rest van mijn werk, een tederheid mag spreken, een deernis met ons mens-zijn in al haar glorie en gruwel.


Ook is er terug een prominente rol voor de dood en het leven, hoe een einde ook weer een nieuw begin is. Daarnaast steeds weer het zoeken naar schoonheid, als tegengif voor?


Leven en dood zijn onlosmakelijk met elkaar vervlochten. Leven is dat wat in staat is tot sterven. Ik heb eigenlijk nooit bewust naar schoonheid gezocht in mijn werk. Veel meer naar wat Virginia Woolf ‘moments of being’ noemde, die momenten waarop je het bestaan in jezelf voelt zinderen. We zijn als mensen eindig en gebonden door waar en hoe het lot ons op deze aarde neerpootte. Levenskunst, iets waarin we allemaal dilettanten blijven, komt misschien wel neer op proberen harmonieus met onze ketens proberen te rammelen, of heel even, zoals de forel in de stroom, een buiteling maken boven het watervlak. Als mijn werk de lezers eventjes optilt uit hun stoel en ze een buiteling laat maken, ben ik al heel tevreden.


Wat mogen we nog van jou verwachten in 2021?


Alleszins een nieuwe novelle, de werktitel is ‘het boek van de nacht.’ Ik vermoed dat de stilte en de afzondering en afwezigheid van de coronatijd er wel in door zal klinken. Maar noem het geen coronaboek. De nacht is het ook rijk van de droom, de baarmoeder van de creativiteit. Verder spreek ik niet zo graag over het nog ongeborene, het zit nog te zeer met mezelf verweven, het moet zich nog uit me losmaken.


Erwin Mortier

gedicht: Ik schrijf in de nacht


steering_wheel-512_edited_edited.png