• Rogier De Jong

Seinpost

In gesprek met Rogier De Jong


Over de zonsopgang in Bar Harbor, de Venus van Botticelli, de kreeftengang, nagejaagde spoken, het geluid van je bloedsomloop, het lichtbaken en de sirene.


Het gedicht A new world symphony speelt zich af in Bar Harbor, een kleine stad in Maine, een noordoostelijke staat in de VS tegen de Canadese grens. Ben je daar zelf geweest? Is dit een reisherinnering?


Mijn vrouw en ik reisden in 2010 door New England. We begonnen in New York en Boston en Bar Harbor was onze verste bestemming. We zagen de zon rond 5 uur ’s nachts opkomen vanaf ons aan het strand gelegen terras.

Het water was veel te woest en te koud om te zwemmen,

anders hadden we deze ervaring graag vanuit zee meegemaakt.


Je vergelijkt een zonsopgang met de verrijzenis van Venus in een schelp. Wat meteen dat schilderij van Botticelli oproept, een vrouw, volwassen geboren uit het zeeschuim (het zaad van Uranus). De schelp is ook het klassieke symbool voor het vrouwelijk geslacht.


Het gedicht gaat inderdaad over al die dingen die jij noemt, waaronder verrijzenis, meer een hérrijzenis eigenlijk, niet in spirituele, maar in persoonlijke zin. Mijn vrouw en ik kenden elkaar nog maar kort nadat we beiden onze partners waren verloren. Dit was onze huwelijksreis, een nieuwe start, waaraan het mythische beeld van Amerika als Nieuwe Wereld niet vreemd is. De Negende Symfonie van Dvorák verbeeldt dat gevoel met de juiste romantiek waardoor je bijna zou denken dat de Amerikaanse Droom uit Tsjechië afkomstig is, net als Budweiser-bier. Maar dat terzijde. De zonsopgang symboliseert een begin. Elke opkomst is een geboorte, zoals elke zonsondergang een sterven inhoudt. In Seinpost staat een gedicht, ‘Pluk de nacht’, waarin de rouw om dat sterven wordt omgezet in vitaliteit. De levenscyclus klinkt daarin door. De herrijzenis heb ik in ‘A new world symphony’ ook gepersonifieerd in de Venus van Botticelli. De schelp staat voor geboorte, seksualiteit en dood. Oftewel toekomst, heden en verleden. Veel elementen dus, die symfonisch samenkomen in dit gedicht.


Is licht in jouw beleving vrouwelijk? Of gaat het meer over de schoonheid van dat natuurfenomeen?


Een zonsopkomst aan zee is voor veel West-Europese bewoners bijzonder, omdat zij strikt genomen alleen een zonsondergang kennen. Een zonsopkomst aan zee in Amerika voegt aan die nieuwe ervaring de wedergeboorte in een nieuwe wereld toe, zoals ik hiervoor zei. Of licht vrouwelijk is? In ons binaire en historisch gevormde bewustzijn waarschijnlijk wel, maar taalkundig gezien is licht onzijdig en duisternis vrouwelijk. Zo zie je maar weer.


Sommige dingen zijn te mooi om te verzinnen. schrijf je. TS Elliot schreef over verbeelding en werkelijkheid:


Go go, said the bird: human kind

can not bear very much reality.

Time past and time future

what might haven been and what has been

point to one end, which is always present.


Hoeveel werkelijkheid kan een mens aan? En kan je het herleiden tot wat er hier en nu is?


Het bewustzijn is onderhevig aan een hartslag, een golfslag van vernauwing en verruiming, waardoor het, zoals Eliot stelt, inderdaad niet veel werkelijkheid aan kan. Omdat verbeelding (what might have been) en realiteit (wat has been) elkaar als eb en vloed vasthouden, is ook de verbeelding begrensd. Een schilder als David Hockney toont dat met zijn van kleur verschietende landschappen subliem aan. We zitten met andere woorden gevangen in referentiekaders die we zelf meestal niet kunnen ontstijgen, tenzij er buiten ons iets gebeurt wat de zwaartekracht even opheft, iets wat te mooi is om zelf te verzinnen. Zoiets begenadigds overkomt je maar een paar keer in je leven en doet alles op zijn plek vallen. Ik had dat op die vroege ochtend in Bar Harbor. Je leeft dan heel intens – al het andere valt even weg.


Natuurlijk geloof ik in een objectieve fysieke wereld om ons heen. Het probleem is alleen dat we daar als mens niet zoveel aan hebben, tenzij we hem met ons bewustzijn registreren. En daar ontstaan fouten, omdat ‘registreren’ vaak berust op wat we weten en geleerd hebben en registeren dus op interpreteren neerkomt. Daarom schrijf ik in het gedicht ‘Boem’ in Seinpost: ‘Waarheid is een verzinsel’.


Op het einde van het gedicht kruipt de dood aan land. Opnieuw een opstand uit de doden.


De dood die aanspoelt aan land en tot leven gewekt is: daar heb je weer de levenscyclus, de golfslag, de stofwisseling. De dood die aanspoelt, dat is in dit gedicht het avondland, als beeld voor het donkere verleden. Oswald Spengler zag zijn avondland niet teloor gaan aan verwaarlozing en achteruitgang, maar aan de levenscyclus die volgens hem elk organisme bezit en dus ook de cultuur. Daarom is Spengler in dit gedicht op zijn plaats.


Ik bleef even haperen aan de regel. We koken een kreeft en proeven opgetogen het morgenrood. Sommige dierenrechtenactivisten hebben een betoging over voor één gekookte kreeft maar dat kookpotje zal ik hier even gedekt houden.


Kunst wordt vaak letterlijk genomen, vandaar Magrittes vermaning: ‘Ceci n’est pas une pipe’. Natuurlijk vergeleek Reve God niet écht met een muisgrijze ezel. En natuurlijk is een kreeft in een gedicht geen echte kreeft, maar een metafoor. Kun je een metafoor koken? Ik heb niets tegen dierenrechtenactivisten, maar ik zou ze willen adviseren hun tijd niet te verdoen met spoken najagen.


De vermenging van zintuigen wordt vaak gebruikt in de poëzie. Hier wordt het morgenrood geproefd. Een negen op de schaal van de romantiek. Maar wat me nog meer opviel. De kreeft loopt achteruit?

Een wedergeboorte? Een terugkeer in de tijd?


Het rood van de gekookte kreeft – welke kant hij ook op loopt – staat niet alleen voor de zonsopgang, maar ook voor het bloed van de geboorte; elke metamorfose is pijnlijk. Tegelijk heeft de kreeft, het waterdier uit Maine, ook een grimmige kant: hij symboliseert de ziekte waaraan mijn vrouw is gestorven. In die zin staat het koken van de kreeft ook voor een ceremoniële reinigingsdaad: het verwerken van het verleden en het proeven van de (vergeef mij het cliché) ontluikende toekomst.


In het desolate gedicht ‘s Nachts, opnieuw de schelp, niet als kraambed voor Venus deze keer. Ook in de slaap blijft de zee in je hoofd. Ik hoorde laatst ergens dat de ruis op een oude radio een restgeluid is van de oerknal, de chaos waarmee alles begon? Bij ruis denk ik ook aan een radio die geen zender ontvangt of aan een gesprek dat niet zo goed loopt. Waarop stem jij af in de nacht? In je slaap?


Ik moet bekennen dat de ruis in dit sonnet dichter bij The Sound of Silence van Simon & Garfunkel staat dan bij de oerknal. Diep in de nacht, als zelfs de vogels stil zijn, kun je je eigen bloedsomloop horen, net als wanneer je een schelp tegen je oor houdt. Het is natuurlijk een gemeenplaats, maar onze waakwereld is zo lawaaiig dat je je eigen lichaam niet hoort. Ik vind dat een gemis en zoek daarom zoveel mogelijk de stilte op, ook in mijn hoofd. In de nacht op het Zeeuws-Vlaamse platteland vind ik die stilte. Daar is voor mij niets desolaats aan, ik ervaar het als een biotoop, zoals water voor een vis. Je vraagt naar de schelp in dit gedicht: de schelp is een in Seinpost terugkerend motief: drager van het leven – inderdaad, kraamkamer – en metamorfoses.


Een mooie regel vond ik ook. Een verre koe blaast op haar hoorn. Toen dacht ik onwillekeurig aan een misthoorn, een instrument met een groot bereik, waarmee schepen navigeren maar ook waarschuwen? Afstand was toevallig ook aan de orde in het coronajaar. Wordt in de nacht (de slaap) een afstand overbrugd, de overtocht gemaakt?


In ’s Nachts wordt niet de wereld van de slaper c.q. slaapwandelaar beschreven, maar die van de nachtwandelaar. Natuurlijk leggen slapers en dromers enorme afstanden af. De nachtwandelaar doet dat in zekere zin ook, maar dan passief. In de bijna absolute stilte van de nacht komt elk geluid, hoe ver weg ook, vlak bij je. Afstand is een relatief begrip voor het bewustzijn. Je kent het grensoverschrijdende geluid van een ritselend papiertje in een stille concertzaal. Tegelijk kan in een tumult waar je je zelf midden in bevindt, elk afzonderlijk geluid je ontgaan. Misschien ligt het aan mij, maar in een klein café waar de muziek keihard staat, kom ik in de kakofonie niet verder dan liplezen en schielijk de uitgang zoeken.


Tot slot staan we even stil bij het gedicht ‘Waarom ik van spoorwegen houd’ waarmee je de top 100 haalde in de Turing wedstrijd van 2018-2019. Je tekent de diagonale reis uit, in een rechte lijn. De spoorweg. Bijna in vogelvlucht zou je het ook kunnen noemen, want vogels zullen ook zelden tijd en energie verspillen aan zigzaggen en afwijken. Ook in dit gedicht komt het thema het onmetelijke en de afstand terug naar boven. En dan koppel ik deze vraag aan de vorige. Komt afstand of de reisweg ook terug in jouw andere gedichten? Is dat een verbindend thema?


De Turing-jury typeerde de kaarsrechte lijn in dit gedicht als ‘bevrijdend’ omdat ze een complete openheid zou vragen voor het onverwachte, het toeval. Bij het schrijven probeerde ik iets anders te zeggen, namelijk over mijn karakterstructuur, die niet harmonieert met, zoals jij dat zo treffend formuleert, zigzaggen en afwijken. Vanuit beide gezichtspunten, die van de Turing-jury en die van mij, is rechtlijnigheid geen beperking maar een verborgen zegen: een blessing in disguise. Onmetelijkheid en afstand vormen in Seinpost inderdaad een verbindend motief. Ze komen ook in veel van mijn andere gedichten voor. Wat wil ik met die afstand? Tekens uit het universum opvangen? Zoals Achterberg? Peter Vermaat noemde mij in zijn recensie in Meander Magazine in tegenstelling tot de ‘ontvangende’ Achterberg een ‘zendende dichter’. Daar zit iets in: wie signalen uitzendt, zoals een sirene, een nachtelijke koe of een lichtbaken, overbrugt afstanden om uiteindelijk ergens opgevangen te worden, waar en door wie dan ook. Die afstanden hoeven niet per se geografisch te zijn: ook maatschappelijk, cultureel en psychologisch zijn er genoeg afstanden en kloven die ik met de moed der wanhoop wil overbruggen. Als ik de slotstrofe uit het titelgedicht uit Seinpost mag citeren:


Er is altijd wel een reden om te

zwijgen. Om die ene keer dat

het er echt toe doet sprakeloos

de andere kant op te kijken.


Welke einder ligt voor jou nog voor het grijpen?


Seinpost is na Memento – mijn eersteling over mijn overleden vrouw – mijn tweede bundel. Daarnaast verschijnt er werk in verschillende literaire tijdschriften. Ik ben als dichter ambitieus in die zin dat ik graag wil dat mijn werk wordt ontvangen. Daar bedoel ik niet alleen mee ‘goed ontvangen’ – ijdelheid en eerzucht zijn menselijk – maar ook ontvangen in de zin van ‘opvangen’. Ik wil mijn stem laten horen in de hoop dat ik ‘schepen kan doen stranden met welluidende gezangen’. Oftewel: mensen bij hun strot grijpen. Misschien niet in één keer, maar fasegewijs. Mijn poëzie moet je, om een collega-dichter te parafraseren, niet ‘tinderen’, maar herlezen. Ik zou ook op z’n Vlaams kunnen zeggen: degusteren. Bij elke lezing geven de gedichten meer van hun inhoud en betekenislagen prijs. In de woorden van Alain Delmotte, die Seinpost besprak voor de Vlaamse Vereniging van Letterkundigen (binnenkort gepubliceerd in ‘De Auteur’): ‘Stap die bundel niet binnen, duik en graaf erin’. Dat is de einder die ik wil grijpen.


interview: Wim Vandeleene



Seinpost – gedichten Rogier de Jong Bordeauxreeks

nr.58 Uitgeverij Liverse, Dordrecht 2020. isbn978449519597


Steeds op reis en altijd thuis

bloemlezing tiende Turing-gedichtenwedstrijd 2018-2019.

Uitgeverij Poëziecentrum, Gent 2019. ISBN 9056551272.


Meer informatie over dichter en werk op www.rogierdejong.nl





's Nachts

Het is zo stil in het nachtelijk dorp dat ik de zee hoor ruisen tussen mijn slapen. Een scheefgezakt verkeersbord houdt de wacht – baken...

steering_wheel-512_edited_edited.png

Step assuredly into the blank of your mind. Something will come into you  -  Richard Wilbur

  • Facebook