• Ann Van Dessel

psalm

opgedragen aan Rutger Kopland



1.1


bij koorn en most


dan zal dit huis niets meer zijn dan

een uitgewoond woord dat in ontslapen talen

rijmt op huid en gaffelkruis


we hebben muren gedacht en de muren trokken zich op

aan de hemel. we hebben hoeken aan de hemel genaaid

en lieten een deur binnen. de honger klopte in meervoud aan


en scheurde een binnenzee uit onze buik. we kregen niet genoeg

van stenen en gooiden hoge ogen in de bomen. takken lieten los

en vielen in kruisverband de grond aan. toen rolde het water


in wolken over het land. we schreeuwden

dat we deze zeeën niet kenden. jullie zijn de oceaan,

zei de aarde, en ze draaide ons haar as toe.



1.2


’t is alles wind


omdat we water zijn, vlechten we zonlicht,

wuiven naar wie we een eeuwigheid geleden


zonet nog waren maar we zien ons niet. alleen

de lege plek blijft opgeschoond liggen in de tijd.


dan zullen we opstaan uit een kristallen ei

van andara, wandelen in windblauw licht


en elkaar bij de adem noemen