• Wim Vandeleene

Oud behang onder een laag verf

Rimpels

Astrid Arns


Ze opent de deur, de straat staat in haar ogen.

Haar rimpels oud behang onder een laag verf.

Ze stut het lege huis. Ik sta stil,

zie hoe de wereld om ons heen beweegt.

Wanneer ze lacht trekt het in onze vezels.

Zij ziet kleuren die er niet zijn, een vierkant zonlicht op tegels.

Tot alles mistig wordt, weggegomd als een mislukte kindertekening.

Ik haal beschaamd de kauwgom van mijn schoenzool


en vraag mij af in welke vrouw ik leef.



De deur van het gedicht gaat open. In haar ogen staat de straat. Ogen worden wel vaker met spiegels vergeleken maar hier doet Astrid het zonder de regel op te smukken. Afgezien van het rijm tussen staat en straat, ben ik verrast door de eenvoud van die regel. Ze kiest niet voor het werkwoord weerkaatsen, wat het vermoedelijk betekent, maar voor 'staat'. Het blijft onbepaald alsof het beeld in die ogen gedrukt staat. En omdat geen mens met het blote oog kan zien wat er in iemands ogen weerspiegeld wordt, tenzij je heel dicht nadert en er een loep boven houdt, betekent die straat meer. Het beeld staat misschien al op haar netvlies gebrand van keer op keer die deur te openen, oog in oog met de straat. Misschien. Onvermijdelijk vul je zoiets in als lezer. Je kiest een mogelijke betekenis. Wat we met een omslachtiger woord een interpretatie noemen.


Haar rimpels worden oud behang onder een laag verf. Een metafoor om U tegen te zeggen. Het gaat hier niet over een tiener in volle kracht en toch kan zij een huis stutten. Een leeg huis. Wie heeft haar verlaten? Wordt hier een weduwe bezocht? Zonder haar stort het in. In een moment van stilstand wordt beweging waargenomen. Een bevreemdend effect wel. Ik zie haar in een deurgat staan. Door wat worden ze omringd? Het verkeer misschien, in ruime zin. Het menselijke verkeer, niet enkel dat van de straat. Door alles, de hele wereld is bezig behalve zij. Iets wat geliefden ook meemaken op een zeldzaam en kostbaar moment. Het wordt intens bezongen in talloze hits. Het intieme moment, het bevroren moment. De pauzeknop wordt ingedrukt. Twee mensen in de tijdloze magie van hun private bubbel. Wanneer ze lacht trekt het in onze vezels. Het enkelvoud (zij lacht) tegenover het meervoud (onze vezels). Sympathie betekent in oorsprong: samen voelen. Vreugde is aanstekelijk. De totale herkenning.


Nu blijkt dat de gastvrouw (de moeder?) in het gedicht haar eigen kleuren ziet. Ze bestaan niet, ze heeft ze zelf gemengd op haar palet. Het licht is de som van alle kleuren maar hoe verzin je een kleur die nog ontbreekt aan de regenboog. Iets als infrarood of ultraviolet maar dan anders. Een hoogstpersoonlijke kleur, slechts voor haar waarneembaar. Maar de kleuren houden geen stand in dit gedicht. De jeugd keert terug als een mislukte kindertekening waar mist overheen trekt. Iets dat moet worden weggegomd. Een rake vergelijking. Een kauwgom die aan de zolen bleef kleven doet me denken aan een kleine zonde, iets van lang geleden, een herkauwde herinnering misschien. De schaamte die hier opduikt sluit mooi aan bij de slotvraag. In welke vrouw leef ik? De dochter die moeder wordt herinnert zich de dochter die ze was. Ben ik het meisje of de vrouw? Wat als we zomaar van rol en van lichaam zouden wisselen.


Wim Vandeleene