• Roer

Het blijft stromen

In gesprek met Christophe Batens



Over kneedbare hoop, de veerkracht van vluchtelingen en een menselijke archipel


Naast dichter ben je ook schilder. Hoe werken beide op elkaar in?


Tot vandaag zijn het twee expressievormen die los van elkaar staan. Ze komen weliswaar voort uit eenzelfde bron: een rijke innerlijke wereld die continu in beweging is en de drang om er op een creatieve manier vorm aan te geven. De ene keer is dat poëzie, de andere keer beeld. Mocht ik muziek spelen (nog altijd een droom), dan zou ik ook deze taal gebruiken om uiting te geven aan wat zich in me afspeelt. Eigenlijk kan alles een creatief medium zijn.


Maar dichter en schilder dus. Ik ben er nog niet in geslaagd om bij een eigen gedicht een schilderij te maken, noch omgekeerd. Ik wil het ook niet forceren. Misschien komt het nog. Ik kijk alleszins erg op naar hoe Miro, Dôtremont, Alechinsky of Twombly tekst en beeld tot één geheel samen brengen.


Wel heb ik al gedichten geschreven bij schilderijen van anderen, omdat ze mij spontaan inspireer- den of in het kader van een opdracht. En ik schrijf van nature ook vrij beeldend. Iemand die mijn gedichten kende en op een dag mijn abstracte schilderijen ontdekte, begreep plots wat ervoor nog hermetisch leek: “Ah, maar jij schrijft zoals je schildert!”


Ik knip een kort fragment uit jouw bio, waar ik het volgende las. 'Kruipt even graag in de huid van een ander – verre naasten, naaste vreemdelingen. Zodra ze hem raken, is zijn pen niet te stelpen.' Hoe kruip jij in andermans huid? Stelpen verwijst ook naar een wonde die blijft bloeden. Moet de pen van pijn getuigen of is schrijven eerder een genotsmiddel?


Ik geloof graag dat dit empathisch vermogen geen uitzondering is, zeker niet onder dichters. Ik vertel dus niets nieuws als ik probeer in te voelen wat een ander doormaakt en dat in woorden en beelden tracht op te roepen. Soms voel ik het meteen in mijn lijf, in mijn aders. Ik word de ander, ben de ander, cijfer mezelf weg zodat gevoel en pen een medium vormen voor de beleving. Die andere is iemand in mijn onmiddellijke omgeving, maar even goed een geïnterviewde in een re- portage in de krant of op tv of een toevallige ontmoeting. En tegelijk blijft het heel subjectief vermits je jezelf nooit helemaal kan uitschakelen.


Mijn antwoord klinkt misschien theoretisch terwijl het een heel organisch gebeuren is. Als iets me raakt – een observatie, inzicht, voorval, ontmoeting, zin, of wat dan ook – dienen woorden en beelden zich spontaan aan. Mijn pen is dan niet te stelpen zoals in ‘het blijft stromen’. Soms duidt dat stromen op een bloedende wonde, dat klopt, maar even goed is de inspiratie kleurrijk en vreugdevol. Net als het leven, geen schaduw zonder licht en geen lichtvoetigheid zonder zwaarte. Of zoals het schrijven zelf: het kan een lang proces zijn, een struggle, een zoektocht, maar soms ook staat het gedicht er in één teug, wat wonderlijk en uitzonderlijk is. Vaker echter is het kneden, schaven, schikken, herschikken, schrappen en herschrijven, dan laten rijpen vooraleer weer aan de slag te gaan. Het is ook continu een evenwicht zoeken tussen het afstemmen op de oorspronkelijke innerlijke vonk en het luisteren naar de autonome stem van het gedicht. Tot het er staat. En dan kent de vreugde geen maat. ;-)


We nemen drie gedichten onder de loep.


In Buidel worden nieuwe plekken blootgelegd, mooiere woorden uit de buik geschraapt en uit de plooien gehaald, de zwaluwen worden aan de lucht gehangen en de dag hamstert de beelden. Hoop is bijna een verboden woord onder dichters maar toch kan ik niet anders dan besluiten: Dit is het gedicht van iemand die reikhalst naar de overvloed en een betere oogst verwacht. Sta je zo in het leven? Kan je je daarin herkennen? Of heb je het anders bedoeld?


Buidel is heel bewust een hoopvol gedicht. Omdat ik zo in het leven wens te staan en de (ongepubliceerde) bundel waar ik aan werkte – Nachtvaarders, over vluchtelingen – er ook om vroeg. De afdeling waar het gedicht deel van uitmaakt – Lichtbrengers – is de voorlaatste van de bundel en is een ode aan de dankbaarheid, de veerkracht en de hoop van vluchtelingen. In een breder kader van iedereen die opgejaagd of onderdrukt wordt.


Ik bouw heel bewust die hoop in mijn gedichten of cycli in, maar wil ook niet aan de harde realiteit voorbij gaan. Hoop koesteren is niet vanzelfsprekend, het leven is niet voor iedereen even maak- baar. Je zapt als migrant niet zomaar de reden van je vlucht weg, als psychiatrisch patiënt je lijden weg of als arme de oorzaak van je (kans)armoede. Om die reden schrijf ik elders in de bundel Dat wat we achterlaten / ons niet inhaalt.


In Vertakkingen IX wordt de oeverloze overtocht gemaakt. Ik licht er één regel uit. Aan weerskanten van het ijs communiceren onze binnenoren. In het binnenoor nestelt ook het orgaan waarmee we ons evenwicht bewaren, toevallig of niet. Een gedicht over verlangen en verbinding? Godfried Bomans schreef: 'Alle sprookjes hebben dit met elkaar gemeen, dat zij zich bezighouden met het verlangen en niet met de vervulling.' Hoe sta je daar zelf tegenover?


Bomans’ woorden doen me – ongewild, onterecht? – denken aan een frase uit het taoïsme: de weg is de bestemming. We worden in ons aardse leven geroepen om vervulling te vinden in de weg die we afleggen, niet zozeer in de bestemming die vaak het onderwerp is van een verlangen. De cyclus Vertakkingen vindt zijn oorsprong in het afscheid van een dierbare die geen vervulling kon vinden in de afgelegde weg. Dit gedicht handelt over verbinding over tijdsgrenzen heen, over het vieren van het leven en het zich losmaken van schaduwen in datzelfde leven. Hoe je kan stil staan en toch verder gaan, hoe je dat werk alleen en tegelijkertijd samen doet. Het is ook een evenwicht zoeken – cf. het binnenoor – tussen luisteren naar je innerlijke stem en die van de buitenwereld.


Het gedicht wij vingen woorden … brengt een lichte boodschap over verbinding en hoop. Woorden luiden de zomer in. En aan het slot omschrijf je hoop als een buitenkamer, een lichaam van was. Die metafoor bleef even hangen. Was is een stof waarvan kaarsen (licht) gemaakt wordt, waarmee vloeren geboend worden. Maar ook een stof die in de kunst gebruikt wordt om mallen te maken. Is hoop kneedbaar? Geeft hoop vorm?


Dit zomerse gedicht hoort op een manier die me zelf nog niet helemaal helder is bij de cyclus Vertakkingen. Hoe de draad van het leven terug opnemen en de dierbare afwezige een plek in die nieuwe werkelijkheid geven. De beeldtaal voert meerdere elementen aan die om hoop draaien: glas, licht en was. De buitenkamer is een veranda, een glazen serre die zonlicht en hoop binnen laat en je toelaat naar de buitenwereld te kijken. Zoals bij planten gebeurt dankzij fotosynthese, zet zonlicht ook de mens in zijn kracht en in beweging, doorbloedt het het heden en schept het mo- gelijkheden voor de toekomst. Licht is leven, ingetogen of uitbundig, en geeft hoop.


Je vraag is bijzonder interessant en doet me stilstaan bij mijn eigen metafoor. Want hoop is net als was kneedbaar. De kneedbaarheid is zelfs een basisvereiste: de onvoorspelbaarheid van het leven noopt hoop tot flexibiliteit. Hoop is dus een lichaam van was waarvan je de vorm continu zelf kneedt. Denk aan het werk van beeldhouwer Antony Gormley dat uit een onuitputtelijke reeks variaties op de menselijke figuur bestaat, steeds gebaseerd op zijn eigen lichaam. Het gedicht gaat naast hoop ook over de herinnering aan de dierbare afwezige. Was als mal om wat afwezig is, terug aanwezig te maken.


Drie citaten van schrijvers waarop jij een 'antwoord' mag geven.


Listen to the mustn'ts, child. Listen to the don'ts. Listen to the shouldn'ts, the impossibles, the won'ts. Listen to the never haves, then listen close to me... Anything can happen, child. Anything can be.

Shel Silverstein


Volledig mee eens. Hoewel ik dit pas nu, in de tweede helft van mijn leven, ten volle besef. Alle geboden, verboden, wijze raden en adviezen, hoe goed bedoeld ook, kunnen tot kromme levens leiden zoals je kromme zinnen hebt. Als kind en als volwassene riskeer je geremd te leven als je hier te veel mee rekening houdt, riskeer je alle verbinding met je innerlijk kompas, je buikgevoel en zelfs je eigen soevereiniteit op het spel te zetten. Eigen ervaringen leiden je tot zelfkennis, doen je groeien en doen je beseffen dat alles inderdaad mogelijk is. Rekening houden met andermans inzichten en ervaringen, maar je eigen koers voeren, met vallen en opstaan. Daarom vind ik biografieën zo boeiend.


De postbus op de hoek is niet een gewoon ding maar een blauwe bloesem en bemind door stervelingen. De brieven zijn als stuifmeel, zo wit en wachten tot treinen, schepen en bestellers als bijen en de wind het uitstrooien. Jiri Wolker – vertaald door J Molitor


Slechts twee zinnen waar je zoveel in kan lezen. Ik lees hier allereerst een ode aan de verbeelding: kijk verder dan wat er staat. Er is niet één waarheid, niet één definitie, maar evenveel als er mensen zijn. Ten tweede onthoud ik dat je de impact van je handelingen, woorden en gedachten niet mag onderschatten: een achteloze opmerking kan evenveel invloed hebben op het leven van een ander als een bewust geschreven brief (of gedicht): stuifmeel… Ik moet denken aan het ‘vlin- dereffect’, of aan het allereerste album van The Velvet Underground dat commercieel een flop was, maar waarvan gezegd wordt dat iedere koper een eigen band startte. Tot slot ook een ecologische boodschap: red de bijen! Om dan via vrije associatie tot bij de klimaatdichters te komen. Vermag poëzie niet alles, dan toch wel veel. ;-)


Waarheid is net een toverbal die om de drie seconden van kleur verandert.

Arnon Grunberg – De Mensheid zij geprezen. Lof der Zotheid, 2001


Ik heb Grunbergs boek niet gelezen, noch dat van Erasmus waarop hij reageert. Hij heeft uiteraard een punt in deze gekke tijden van fake news, alternatieve feiten en infotainment. De metafoor van de toverbal past bovendien perfect in het circus dat berichtgeving vandaag geworden is. Waarheid kan vanuit een persoonlijke beleving natuurlijk ook evolueren, maar niet om de drie seconden veranderen.


Roer stond de voorbije maanden in het teken van Utopia.

Hoe zou jij dat ‘land’ omschrijven?


Ik sluit me graag aan bij de betekenis van ‘goed land’ en niet die van ‘onmogelijke wensdroom’. Utopia mag voor mij een menselijke archipel op wereldschaal zijn. Alle mensen vormen een eiland op zich: op zichzelf wanneer introspectie nodig is, onder de zeespiegel in vredevolle en solidaire verbinding met elkaar en boven die zeespiegel regelmatig samenkomend voor uitwisseling van inzichten en ervaringen, en uiteraard ook om samen te creëren. We leven in harmonie met elkaar en ook vanuit een verdiepende, helende, verrijkende en respectvolle uitwisseling met onze omge- ving: de natuur waar we deel van uitmaken. Ik heb dat beeld voor me van de na’vi, het blauwe volk in de film Avatar, daarbij even abstractie makend van het Hollywoodgeweld dat ook in de film aan bod komt. Ik geloof dat dit de maatschappij is waar de mens voor gemaakt is, maar dat geldgewin en macht de overhand hebben genomen in onze door economie gedreven wereld. Klinkt misschien wat naïef allemaal, maar het is het eerlijke antwoord op je vraag.


Wat ligt er nog voor de boeg?


Binnen een paar maanden kan ik op schrijfresidentie. Ik kijk er enorm naar uit en wil er verder werken aan een manuscript dat ik dit jaar nog hoop af te hebben. Ook staan er nog enkele samenwerkingen of opdrachten in de steigers. Daarnaast hoop ik in 2022 meer tijd te kunnen maken voor beeldend werk want kleur en verf roepen al te lang.



Buidel

Vertakkingen IX

wij vingen woorden


over de reiziger



interview: Wim Vandeleene