• Wim Vandeleene

Dodemanshand

Michael Longley


Voor onze tweede ontmoeting wacht ik haar op in een café

Naast de sigarettenautomaat. Zij heeft haar regels.

Een kat met een muizenstaart bengelend uit zijn bek

Flitst van tussen haar benen en nestelt zich in mijn hoofd.

Er volgen uitstapjes naar de kust waar ik schelpen,

Veren, duinviooltjes in het helmgras voor haar vind.


Daarna de slenterende gesprekken in een dennenbos

Zodat ik mij de onzichtbare boomkruiper voor kan stellen

Die zich langs haar lichaam omhoogwerkt op zoek naar parasieten

Daar waar roze bloemen lijken te verharen tot kegels,

Dan komt de huwelijksreis, een weekend in een afgelegen huisje

Waar wij zwijgend bij elkaar zitten en licht lenen van de deur,


En ik in de afvalemmer een slaapdronken kreeft kook

En die tussen ons verdeel. Ons meest gedenkwaardige maal.

Maar zij moet per ongeluk dodemanshand hebben gegeten

Want haar misselijkheid onderbreekt ons als een telefoon.

De tiende, elfde, twaalfde keer vloeien bontgekleurd

In elkaar: een gebrandschilderd raam in een laaiende kerk.


Al gauw ben ik gewend overal waar vuur wordt gestookt,

De benen gekruist, voeten tegen de schoorsteenmantel gesteund,

Mijn schoenen toe te spreken met nu en dan een blik naar haar.

Onze eerste ontmoeting is in feite de laatste achterstevoren.

Onze kus is tijdeloos en ik voel me als de schim van een kind

Op visite bij zijn moeder die lang geleden voor abortus koos.


vertaling: Theo Hermans

uit: Het Dwingende Verleden - Poetry International 1988




Hij wacht haar op in een kroeg. Ze hadden elkaar al eens gezien. De eerste ontmoeting - altijd beladen met stuntelige romantiek - slaat de dichter over. We gaan meteen over naar de tweede start. De minnaar kent haar cyclus al. Alsof hij de lezer meteen wil ontnuchteren. Dit wordt geen wilde nacht. Ze heeft haar regels, een maandelijks ongemak waar mannen weinig meer van kennen dan dat het iets is met hormonen, een dode eicel, de hernieuwing van de vruchtbaarheid, iets dat mannen soms ervaren als hinderlijk, een herhaaldelijk verschijnsel dat het spel bederft en de toegang tot het paradijs belemmert. Misschien heeft ze hem vooraf gewaarschuwd. ‘Ik heb mijn regels’. En dat woord op die plaats kan je bijna niet anders dan dubbel lezen. De regels van een vrouw breek je niet zomaar. Die worden geëerbiedigd als een dure eed. Michael Longley schetst een dwanggedachte en waagt het een onderwerp aan te snijden waar de meeste dichters met een boog omheen gaan. Maandstonden. En hij maakt een speelse metafoor van een tampon als een idee fixe, een gedachte die je niet meer kan verbannen. De muizenstaart in de muil van de kat. Een schrikbeeld voor elke viriele man, de vagina als roofdier. In twee regels vat hij het vervolg samen, de hofmakerij van enkele uitstappen naar zee, waar hij onder meer duinviooltjes in het helmgras voor haar vindt. Het eeuwenoude baltsritueel. Ze slenteren in een bos waar de verbeelding weer zegeviert. Hij stelt zich een boomkruiper voor, een soort zangvogel die langs de bast in spiralen omhoog klimt om er spinnen en insecten op te sporen. Hoe hij haar geslacht benadert en roze verbloemt. De strofe wordt vervolgd met een huwelijksreis, waar ze zwijgen en licht lenen van de deur. Om niet te moeten zeggen dat de deur al op een kier staat, dat het licht van een andere ruimte komt, van een straatlantaarn misschien. Waar hij iets voor hen kookt. Waar de liefde wordt beoefend en verklaard, wordt een maal gedeeld. Maar hij vermoedt dat ze dodemanshand at, ook wel de houtknotszwam genoemd, een soort schimmel met vingervormige vruchtlichamen in de vorm van een hand. Ze wordt er misselijk van, een tweede spelbederver. Het kan en mag niet glad verlopen. Hun volgende ontmoetingen doen zich voor als kleuren die in elkaar vloeien, als in een roes die door een zwam kan worden opgewekt. Hij vergelijkt het met een gebrandschilderd raam in een kerk, een heilig vuur. De rijke metaforen van Michael Longley slaan me elke keer met verstomming. Ze zijn zo raak gekozen dat je er niets anders mee kan dan ze geloven en beamen alsof het altijd zo geweest is, alsof hij de eerste is die ze noemt. In de laatste strofe went hij aan de passie. HIj beschrijft een huiselijke houding, een man die met de voeten tegen de schoorsteenmantel steunt en vooral tegen zijn schoenen praat, haar al minder aankijkt. Om onroerend te eindigen met het begin, hun eerste ontmoeting. Een kus die geen tijd kent. Hoe ontwapenend kwetsbaar en oprecht wordt hij wanneer hij zich opnieuw vereenzelvigt met het kind. Niet zomaar een kind. Het kind van een moeder die voor abortus koos. Hoe hij in de liefde staat, als een ongeboren kind.




Michael Longley werd geboren in Belfast , Noord-Ierland, met Engelse ouders. Longley werd opgeleid aan de Royal Belfast Academical Institution en las vervolgens Klassiekers aan het Trinity College, Dublin , waar hij Icarus uitgaf . Hij was de Ierse hoogleraar poëzie van 2007 tot 2010, een grensoverschrijdende academische functie die in 1998 werd opgericht en die eerder werd bekleed door John Montague , Nuala Ní Dhomhnaill en Paul Durcan . Hij werd in 2010 opgevolgd door Harry Clifton . [2] Noord-Amerikaanse edities van het werk van Longley zijn uitgegeven door:Wake Forest University Press . Meer dan 50 jaar bracht hij veel tijd door in Carrigskeewaun, County Mayo, wat een inspiratiebron was voor veel van zijn poëzie. Zijn vrouw, Edna , is een criticus van moderne Ierse en Britse poëzie. [4] Ze hebben drie kinderen. Hun dochter is kunstenaar Sarah Longley . Een atheïst , Longley beschrijft zichzelf als een "sentimentele" ongelovige. Op 14 januari 2014 nam hij deel aan de BBC Radio 3-serie The Essay – Letters to a Young Poet . Met Rainer Maria Rilke 's klassieke tekst Brieven aan een jonge dichter als inspiratiebron schreven vooraanstaande dichters een brief aan een beschermeling. Longley heeft lezingen van zijn poëzie verstrekt voor het Irish Poetry Reading Archive (UCD) . Zijn tweelingbroer, Peter, stierf in 2013/14. Longley droeg de tweede helft van The Stairwell (2014), zijn tiende collectie, aan hem op.