• Inge Braekman

De wiskunde van het Univerum

Over Schermval van Leen Pil



Uitgeverij P

‘Hij weet nu dat de taal/in haar schoonheid … niet meer menselijks had/dan de spraakgebreken van de schaduw/dan die van het oorverdovend zonlicht’, schrijft Henk Abma in het boek de lezende lucebert over het werk van de Nederlandse dichter Lucebert. Ik lees deze verzen op het moment dat ik nadenk over de tweede dichtbundel Schermval van Leen Pil die we hier vandaag boven het doopvont houden. Zoals Lucebert, en ook Hugo Claus, van wie er een aantal verzen zijn opgenomen in deze dichtbundel, is Leen Pil een dubbeltalent. Ze schrijft niet alleen, maar maakt ook beeldend werk, getuige daarvan de werken die in Schermval zijn opgenomen en hier aanwezig zijn. Er wordt dan ook als het ware getekend, niet alleen letterlijk maar ook in en met de taal, geschilderd met beelden, in deze bundel, die niet alleen heel visueel is maar ook picturaal een eigen universum oproept en schept. In de eerste cyclus van deze dichtbundel wordt er letterlijk gerefereerd aan Monotypes. Een Monotype is een eenmalige afdruk, waarbij het beeld met verf of metaal wordt geschilderd… ‘met zwart, wit en blauw als dak. Een zwarte achtergrond valt op, een witte is rustgevend,’.


Het dialogische tussen woord en beeld, zet zich letterlijk ook verder in het gesprek dat Leen Pil voert met een aantal verzen uit de Gedichten van Hugo Claus. ‘We verven ons kind een monstersnoet.’ Maar er zijn ook referenties aan de film ‘we bliezen per ongeluk een peperdure filmset op’, aan de kunstgeschiedenis, ‘minimalistische straten’, aan de fotografie, ‘een polaroidopname’, aan de schilder- en tekenkunst, ‘een doos zwarte potloden, het kijken naar grafiet’,… in deze dichtbundel die is opgedeeld in vijf cycli. De eerste cyclus luidt LOS met titels zoals Samenhang, losbreken,… De tweede Stenen, de derde Vintage, de vierde Een tweede brein, de vijfde Algoritmes… Doorheen die cycli keren gedachten, woorden, vaak onopgemerkt en subtiel als een stille herhaling terug. Beelden zijn, hoe variërend ook, uniek in deze wereld. ‘Een golf rukt uit en spant de algen over heuvels/tot een dunne zuurstoftent.’


Schermval opent onmiddellijk met het gedicht Gang en zet daarmee de toon voor de volledige dichtbundel. Een gang is trouwens een plek bij het binnenkomen, die de verbinding maakt van de ene kamer naar de andere, van de ene plek naar een andere, van de buitenwerkelijkheid naar de beschermende binnenwereld van het huis waarin Leen Pil stelt ‘soms is een deur geen deur maar een porte brisée/tussen kelder en keuken’, namelijk een vleugeldeur die de verbinding maakt tussen twee vertrekken, tussen twee werelden ook. De deur als opener naar het gedicht, de dichtbundel… ‘de blik die voluit aan de buitenkant/wordt geboren.’ De deur als opener naar de innerlijke wereld, naar het naar binnen gekeerde, de binnenkant van het lichaam, het brein, het woord, het beeld en ook van dat wat onzegbaar blijft. Waarin de Samenhang, zoals bepaald in het tweede gedicht van deze dichtbundel ook dat is wat we helemaal niet kunnen zien. De onmogelijkheid ook van het niet alles kunnen zien, van het niet alles kunnen bevatten, van het andere zien dan wat er in feite te zien is. ‘Wie in een stad één schaduw ziet, ziet niet alles. Hij ziet de boezems en de knipperbollen niet,’.


Dit is taal laverend tussen abstractie en concrete beelden, natuurelementen wisselen elkaar af met vaak heel secce, bewust gekozen apoëtische woorden… Woorden als blootstellingseffect, stroomuitval, chemicaliën, postorderinpakker, receptuur, onderduikplek, comfortzone, camouflage, In-forming, een lijst met opties, algoritmes – een term die ook verwijst aan de computertaal en op die manier ook naar de act van het schrijven op computer… gaan een verbond aan met natuurelementen en het natuurlijke ervan, een vogel, de gesmolten sneeuw, de arend zweeft terwijl het regent, er is nevel, er wordt geschuild onder bomen, ‘op suffe aarde vallen we terug’, er worden zachte berken rond het lijf geplant, ‘het sap zou water, honing zijn en wijn.’, ‘tot ook het ijs op korte dagen valt en door de zon verdwijnt’, je lichaam breekt af om zich weer tussen bomen op te bouwen, er zijn ‘kleine bloemen op het naakte hout’, ‘de storm, verspreidt de/regels over zand en wind en laat het land en water samenkomen,’.

Stem en tegenstem gaan hier als het ware hand in hand. Het abstracte wordt concreet gemaakt en vice versa. Het concrete wordt zo abstract. De normaliter onzegbare dingen worden tegelijkertijd heel gevoelig en in unieke beelden geëvoceerd terwijl ze tegelijkertijd ook in één en hetzelfde gedicht worden beredeneerd, erover wordt gereflecteerd. Licht en Tegenlicht. ‘We kleefden huishuidfolie, het licht/ertussen’. Door afstand te nemen van de functionele omgang met woorden doet de taal zich voor als een grote oneindige zee, bodem of natuurlijke omgeving.


In het gedicht De wiskunde van het universum schrijft Leen Pil ‘vijf lucifers/als hemels tegenlicht’. De veranderlijkheid en beweeglijkheid der dingen ontstaan, worden in deze rijke beeldtaal belicht door een andere lichtinval, een plotse regen. Er wordt beeldend geschilderd met woorden. Bij Leen Pil wordt de onmogelijkheid van een beeld, van een metafoor mogelijk. Tegelijk uitgepuurd en overdadig. Zelf schrijft ze ‘Op overdaad hoeft soms geen maat te staan’. Het vallen valt wanneer de zwaartekracht verdwijnt. Om van schaduw en lichaam te verwisselen hoeft slechts een ronde te worden gedraaid. In deze bundel wordt er niet expliciet en letterlijk niet veel gevallen, er is dan ook het scherm, het Valscherm, zoals de titel aangeeft, om steeds de val op te vangen, zodat het luchtledige en het aardse tegelijk kunnen worden gevat en samenvallen. Er op een natuurlijke wijze en aan de natuur gelieerde manier gered kan worden. Deze mooie dichtbundel besluit dan ook met het aanroepen van Enheduanna, de vroegst bekende dichter uit de 23e eeuw voor Christus, ze was de hogepriesteres van de godin Inanna en de maangod Nanna, die woonde in de Sumerische stadstaat Ur, en was de dochter van Sargon van Akkad. Leen Pil roept Enheduanna op ontroerende wijze aan ‘zodat een vrouw eindpunt en begin kan zijn,… zodat blijft wat niemand eerder heeft gemaakt’.


Ik wil bij wijze van besluit deze dichtbundel graag eer aan doen met de woorden van de in 1984 overleden schrijver Marnix Gijsen ‘Ik heb dit wonder bescheid/slechts veel later verstaan/en ook dat de navelstreng niet/is van vleesch en bloed/maar van d’oneindige woorden,/die ons heimlijk binden.’


Proficiat Leen.


Ik dank u.


Inge Braeckman


  • Facebook