• Roer

gruis

huis zonder muren


Slijt je tijd niet met het zoeken naar een hindernis.

Misschien is er wel geen.

Franz Kafka


43

Ergens achter blijven haken

waardoor een los draadje

je lievelingstrui of -deken een uitweg biedt

om langer met je mee te gaan het uittrekken heeft iets van

steeds dezelfde huizen passeren

je hecht je vast aan de route

opdat je zonder stil te staan

nieuwe kleedjes kan verzinnen


hoe fragiel blijkt stof tot nadenken

wanneer opgebroken wegen

of stellingen het ritme onderbreken

maar straks schuif je vanzelf op

je wil de ruwbouw kunnen afkijken spinnen we zo geen web voor onszelf

en wat hopen we dan te vangen?


Kenneth Swaenen



42



Sleutels van de slaap bieden toegang

tot onbetreden gedachten.

Hier zijn draken.


Help het vuur van tederheid in ze ontwaken.

Laat het de wereld versmachten.

Trotseer de lange nachten

met een stevig touw.

Bind je vast aan je dromen

als je het ontwaken niet vertrouwt.


Buiten is alles anders.

De bomen zwart en de lucht een wit A-viertje.

Je durft aanvankelijk het venster niet te openen,

bang dat het zwart en wit je kleurrijke binnenwereld opslorpen.


Knoestige takken lachen je uit.

Trotseer ze en hou niet op tot kop boven kruin uitsteekt.


Je nuance is aanstekelijk.

Draken zoeken je op.

Versla ze niet, maar troost ze.


Iris Mák




41


zoals een vlam geen weet heeft van het vuur zo werk jij


je in het zweet omhoog, de rode loper omfloerst het beton



met elke trede word je kleiner, de trap steiler


hij wijst naar de wolken waarin hij verdwijnt



een woud van eendere trappen om je heen, daarop


dezelfde nietige mensjes die zich naar boven zwoegen



de laatste overloop eindigt bruusk in het ijle,


leidt naar nergens, plots sta je stil



veel wind te vangen, je staande te houden


zonder houvast, geen weg terug zonder afgang



zonder die durf vat je vuur door zelfontbranding,


een lichtbaken van laaiend enthousiasme, finaal uitgeblust



Hedwig Dujardin





40


Wat moet ze tegen haar kletsnatte lichaam zeggen? Dat het zwaarder wordt en klotst bij elke stap.




Ze vraagt zich af van waar al dat water komt. In de plooien van de hals, tussen de borsten, op het gezicht

Als ze het eindelijk weet begint het verlies, vervaagt het zicht op plassen en kikkers. Ontbreekt evenwicht, alsof ze struikelt voor ze in slaap valt. Verward stapt ze uit haar hoofd, een golf die wilt begrijpen waar de zee is.





Astrid Arns



39


niet weten welke huid je aan moet

voor het pas gestreken blauwe laken niet weten hoe het hoofd te buigen water wil niet in de armen sluiten wil lijnrecht laten doorstromen en loslaten, eenmaal op gang gekomen pakt de lucht je in en wijkt de bodem voor een kloof van stilte wanneer je boven komt, valt het water geruisloos verder onder je door



Edward Hoornaert




38


Tenen schrapen moed bijeen, loeren lillend over de rand

van een ruwe, blauwe tong. Meer dan tien meter diep

sidderen vijfentwintigmeterlijnen op de bodem

met me mee. Dacht ik nu echt dat chloor

mijn overlevingsdrift zou bedwelmen?

Achter m’n rug rollen ogen mij

de afgrond in. Ik wil wel maar

de knieën knikken nee.

Antony Samson




37


mijn naam zit me niet als gegoten

ik neem en eet een rantsoen van taal

bijt in eigen wangen, blijf aan lippen kleven

de schreeuw is armer dan de stem

ik pas de lege kamer als nauwe kleren

overbrug met trage passen de kloof in mijn fundament

trots op blinde vlekken toon ik onderhuidse littekens

bestemd om te verdwijnen

ik delf getemde herinneringen op

om rust te vinden in hun contouren



Steven Van Der Heyden





36


‘Maar ze maken hier geen engelen,

alleen jongens van vlees en bloed.’

Marieke Lucas Rijneveld

De hete adem in m’n nek dampt aan,

schenkt het fantoom een lijf. Met één veeg ontbloot ik Apollo’s

ijdele oog, z’n blik op oneindig. Zonder rust herlees ik z’n gedachten.

Dit is míjn drieluik, spreek ik tegen. Dan scherp ik het penseel

en bezweer ik het beeld. Gelukkig zijn er nog rituelen.



Vincent Van Gelder




35


de meisjes dragen een braillebril

die alles en iedereen overkapt

inkapselt inpakt in noppenfolie

elk stofje vormt een grauw grijs

onderdeel van gruis hierdoorheen


moet je voelen moet je voelen



Geert Viaene





34


Met verblinde vingers kijk ik in het niemandsland waarin jij al vanouds gedijt. Onder zachte dwang de tijd tot stilstand dwingend. Mij berovend van zijn getijde, haar onomkeerbaarheid. Met in mijn zij: de wonde, het onstilbaar verlangen. Je laatste litteken. In een donkere kamer als goed bewaard geheim.


Antoon Van den Braembussche



33


dat iedereen zeeziek aan boord blijft,

van blinde boreling tot dove grijsaard,

dat we het tij en de kolken weerstaan


dat niemand achter het net vist

of spartelt op het dek. ik wil geloven

dat ik in die gave vaart geloof


maar in het wiegende ruim

van dit stampende schip ligt een vracht

zonder gewicht, de buit van wrakduikers.

zolang de boeg de spiegel splitst

houd ik koers of sla ik op drift,

de herinnering voert me in een zigzaglijn

langs meisjes, vroegrijpe moeders,

naar waar ik voor anker lag, dobberend

in een bel vruchtwater, achter haar navel.


Wim Vandeleene



32


Nog voor je denken kon wachtte je geduldig af,

zwom naar een vaag, maar veelbelovend licht en

negen maanden later spoelde je onwetend aan.


Met gym stond je weer in de rij: je maakte braafjes

voor de alfajochies plaats, wachtte angstig af,

omdat niemand in de klas de laatste wilde zijn.


Toen de meisjes, de allermooiste meisjes kwamen,

duwde je een bonkend, kloppend lijf weer in een

nieuwe rij – nooit kwam je helemaal vooraan.

Zo bleef je overal verloren staan, zo wachtte je

je tijd aan stukken, zo werd geduld gemist geluk.

Het kostte jaren die je nergens terug kan vragen, maar nu

je weet dat leven eigenlijk een onbeantwoord wachten is,

troost het je dat bijna iedereen in hetzelfde schuitje

zit en wachtend soms een half mensenleven mist.


Twan Vet



31


willen we verder, botsen we op tegen de onwrikbare ruggen van trollen.

zij hebben wortels die zich al jaren op geheime locaties vertakken.

de grond is er dor en stemmen klinken er ijl. dringt nu tot ons door

het tromgeroffel, we zien hoe ze voorwaarts marcheren, de linies

verschuiven. ze graven zich nog dieper in. zij vertrouwen geen sprookjes

waarin mensen verdwalen en helden zich opofferen voor het algemeen goed.

zij doen alsof ze slapen en geen honderd jaar hen wakker kan krijgen.

ze zweren samen en weigeren vleugels uit vrees voor een teveel aan

gewicht. kloppen zich wit van woede op de borst, brengen verzoenende

taal als diefstal aan het licht. tonen vol trots de vlijmscherpe bijl

die hun hand siert. willen we luisteren, dan moeten we het lichaam

voorover buigen, het oor doen bloeden. hen andermaal vragen, beleefd,

om plaats te maken.


Edward Hoornaert



30


wat zijn wij meer dan hout en spint

waarin het grijze water klimt

tot in een stroeve kruin

de ruis van een gedempte stem

die door oude takken sjouwt

door oponthoud van schors

het maakt onze gewetens nors

in vertrouwde westenwind

bij leven en bij dauw

bij wijze van een grove huid

die zich kreunend om het hout

laat wrikken en laat wrijven

staan wij er verlegen bij

in rijen en in rijen


Lander Cornelis



29


alsof een stem uit de rotsen komt

we komen van zand, we gaan naar zand

de mantra roest tussen mijn oren

verlicht het pad

wie trekt me dagelijks over diezelfde drempel

waar ik niet aan wen, het touw losjes

maar oplettend in één hand

terwijl het klikken van mijn hoeven

de woestijnstilte in de vallei verbreekt?


nooit zie ik het gezicht van de stem

het touw dat mij te eten geeft

al van bij de geboorte was ik grijs als regenwolken

zandgeluiden maakten mijn gewrichten niet

ik draafde over de rode aarde, mijn ie-aa’s

waren vol leven, mijn staart vocht met vliegen

tussen mijn oren is de avond neergedaald

de stem komt nergens meer vandaan

wie tilt de spade hoog boven mijn hoofd

niet losjes noch oplettend, met een kalmte

alsof die weet wat ons beiden opwacht

voorbij de drempel


Jonas Beckers



28


het is een heelal in drie letters kaatsend als een balletje op het blad het staat overal op zijn zij en op zijn kop het is me wat alles zo in het kort

Jan M Meier


27

Herinneringen hebben geen nood aan een houvast zeg je

we schudden de as uit de urn en alles waait op –

hier is geen richting meer die moet gevolgd.

Achter ons toetert het leven uit honderd kelen. Nog even

en we worden weer ingehaald. Trappelen we ons op één of ander

baanvak warm als flamencodansers voor hun optreden.

Verlangen beweegt met de vlam en het ongeduld in de voeten.

We bergen de urn op en maken ons klaar voor vertrek.

Onze handen wachten op de bal die de toekomst ons toewerpt.

Leen Naerts

26.

​We zijn ermee klaar. We verpakken onze as in zilverpapier en gaan af. We hebben de lusten en de lasten verbrand, het is de moeite waard geweest en een feest is nu niet meer nodig.

We krijgen kop noch staart aan de gebeurtenissen, liever staan wij veilig op uitkijk in onze nissen en gapen wij de lijken aan die zich opstapelen tot een menigte.

In onze beelden verstenen herinneringen en luiden klokken in stilte. Daden zijn afgeklopt, dromen verstard, we zijn onherroepelijk verhard.

Ooit zullen wij tot vlees en bloed terugkeren en wenen en elkaar aanraken als een mirakel.

Frederik Lucien De Laere



25.

Zullen we dan maar? vraag je, een etmaal en een schranspartij van liefde later.

Je vraagt het met ogen die iemand in heeft staan alsof ie ergens onderweg en bij nacht het hoofd verloren heeft.

We ontsluiten wat ons gevangen houdt, openen de voordeur van ons huis. De wind fluit ons om de oren.

Ik geef je een hand. Jij mij een teken. Het vertrek is nakend.

De afdruk van de weg die we moeten gaan staat nu al in onze harten voorgeschreven.

Paul Rigolle

24.

Opgekruld tel je de kruimels op het aanrecht.

“De waarheid is onbelangrijk,” zeg je. Er is alleen maar taal, onbehagen, een lichaam dat uiteen valt, een kalend huis.

Je neemt mijn hand, duwt mijn vingers in je onderbuik, hard, onder je broeksband. “Dat doet pijn,” zeg je.

Ik streel je en veeg de kruimels op de grond. “Voor de muizen,” zeg ik.

Zoë Croegaert

23.

Ik sta in het midden van de kamer als een nieuwe leerling op het schoolplein. Er is zo weinig dat mij bij elkaar houdt.

Mijn grieven zijn als vogelzaad. Kort ligt het er en even later is alles verdwenen. Ik stop de waarheid weg als een sluimerend virus.

En dan bedenk ik: In de buik van dit huis praten geen muren maar kreukt het linnen, wacht de vaat op water houdt de wereld plompverloren stand.

Astrid Arns

22.

en dan te bedenken dat wij alleen maar het raster wilden slopen, dat netwerk van gewoontes dat zich door ons lichaam sloeg maar wij hebben de mist uitgespit

het hout en ons laten bedwelmen door mos, het vlechtwerk van seizoenen uit elkaar gehaald, het geruisloze versleept naar een eiland zonder vuurtorens en de rede uit het kind gestampt

Tania Verhelst

21.

‘…zonlicht is acht minuten onderweg tegen dat het de aarde bereikt…’

met gestrekte vingers en twee handen zo gevouwen stilt hij zonlicht tot een vogel op de muur, een blauwdruk van schijnbare vrijheid, een schaduw van zijn vleugellamme handen.

het herinnert hem aan zoveel zomers terug, toen hij als kind op zijn eigen schaduw trappen wou die hem telkens één stap voor was, hij maakte geen schijn van kans.

een wolk schuift voor de zon en ontneemt haar licht tot de vogel uit de muur ontsnapt. wat rest is een ei in zijn hand.

Christophe Ywaska

20.

wanneer de Zon zo sterk is dat Sirius tot schaduw wordt draal je bij elke droge tong, voel je plotsklaps de jeugd bloeden in je aderen, tast de verzengende adem zelfs witte muren aan alsof het schilderijen zijn van onbekende meesters uit een heel ver verleden

wanneer je beide armen niet hoger kunnen reiken dan die momenten, de schreeuw als moderne still verloren gaat in de kakofonie van verhitte steden, dan ontstijgt de chaos van klinker, friet en glassplinter het denken nestelt het zout zich verder in de voegen van urbane stenen en smeek je om een paar centimeter die in heimwee aarden

Bert Struyvé

19.

Ook op hondsdagen vol handgemeen blijft de zon hangen, koudbloedig de hagedis in het putje van de namiddag, de vlucht van het koolwitje speels en onvoorspelbaar; ook op hondsdagen beieren klokken een bronzen gloed over paardenvacht, rouwkoets en kasseien – rust tussen mijn vingers een rozenkrans aan holle woorden, een eindje van een sigaret – verder niets dan blauwe rook die kringelt als zwarte pluimen zich, voet voor voet, het plein opzingen, langzaam een zekere leegte vullend, omzoomd door populieren waarin kauwen zich ophouden in de nagalm van hun kreet; stonden we hier maar puin te ruimen, samen als één man achter jouw steen schonken we elkaar nog maar ademruimte, het vooruitzicht op een bos bloemen, bloemen water.

Frederik De Cock

18.

zij is met haar vrienden in de telefoon in haar hand op vakantie we lunchen op de brink tegenover de kerk

het is dertig graden en twee uur de klokken luiden meer dan twee dan zien we de rouwstoet

Rinske Kegel

17.

laat haar hand nooit los. in de winkel brandden ogen op mijn rug, ik was jonger. zij was anders. Ik, mocht niet falen. zou zij ooit tussen de lijnen kunnen kleuren?

de liniaal op mijn kneukels. met gestrekte vingers en tussen de lijnen zou ik groot worden in jouw schaduw. nu ik de bruine vlekken tel, neem ik nog steeds jouw kinderhand

Luc C. Martens

16.

ik ben niet gemaakt van twee stervelingen niet in langdurig samenkomen noch door verstandsverbijstering ik werd niet door mensenhanden gevormd niet door dwingende ogen gedreven door een vreemdeling de weg gewezen ik hanteer geen hamer en beitel wacht niet geduldig op elke hoek ben niet gezalfd om zintuigen te bekoren nooit werd mij gevraagd een kinderhand los te laten grootouders te vertellen dat niets of niemand er toe doet nimmer ben ik gezegend om hier te blijven evenmin ben ik een reiziger een pelgrim tussen hemel en aarde proef ik geen verschil

Jan Van Gompel