• Wim Vandeleene

Bij de begrafenis van het huwelijk

Paul Durcan


Bij de begrafenis van het huwelijk

Schreden mijn vrouw en ik

Ieder aan een kant van de lijkwagen,

Onze kinderen renden erachteraan ...

Terwijl de kist werd geloosd

In het bodemloze graf,

Stonden onze kinderen in een halve cirkel,

En speelden op dwars- en blokfluiten.

Mijn vrouw en ik hielden elkaar bij de hand.

Terwijl de rouwenden weenden en de doodgravers

Scheppen vol klei uitgooiden

Op het deksel van de lijkkist,

Liepen we langzaam weg,

Handlangers onder de taxusbomen.

We dronken thee in het kerkhofcafé

Aan de overkant, tegenover de poort:

We praatten over de gelaatskleur van de begrafenisondernemer

Hoe bietrood die niet was.

Terwijl ik mijn vrouw aanstaarde

Vroeg ik me af wie ze in godsnaam was -

Ik zag dat ze een vreemde was met groene ogen.

Ik zei tegen haar: Heb je zin om naar een film te gaan?

Ze zei: En of ik zin heb in een film.

Op de achterste rij van de bioscoop,

Terwijl we op en neer gleden in onze stoelen

In een razernij van haakjes en gespjes

Vroeg de zaakvoerder ons beleefd ons niet uit de kleden.

Ongeduldig liepen we weg door de verregende straten

Een doodlopende steeg in bezaaid met natte bladeren.

En terwijl wij van het tropische eiland van ons bed,

Tjokvol zuchten en gillen,

Onze rouwkleren op de grond gooiden,

Hoorden we gelach vanachter de deur.

Er is geen geluid dat kinderen liever horen

Dan het geluid van hun ouders in bed:

Mijn lieveling, wie ben je in godsnaam?



vertaling: Ruud Hisgen en Adriaan Vanderweel
uit: Het dwingende verleden - Poetry International - 1988


We wonen een begrafenis bij, zoals de titel ondubbelzinnig aankondigt. Geen gezinsdrama in dit geval. De Ierse dichter Paul Durcan zet ons op het verkeerde been, van bij de start. Wat ligt er verder van elkaar dan een huwelijk en een begrafenis? Het feest van trouw in voor- en tegenspoed versus de ceremonie die vrienden en verwanten samen brengt rond een opgebaard lijk. Het ritueel van de liefde tegenover het ritueel van de dood. Gegoten in een gedicht dat sterk neigt naar proza. Maar dat mag geen bezwaar opwerpen. Hoewel het proza gedicht in Vlaanderen minder fans heeft dan een gehucht aan de grens inwoners telt, blijf ik geboeid door de schemerzone tussen verzen en zinnen. Dit gedicht leest als een toegankelijk ultrakort verhaal. Een man en een vrouw schrijden langs de lijkwagen, de kinderen rennen mee in de stoet. Het eerste wat me opvalt, twee snelheden en twee sferen, schrijden tegenover rennen. De kinderen moeten een inhaalbeweging maken met hun trippelpassen. Alsof ze de lijkwagen niet kunnen bijhouden. Ging het huwelijk te snel? De kist wordt geloosd in het bodemloze graf. Het werkwoord ‘lozen’ en het adjectief ‘bodemloze’ tillen deze regel op. Zo wordt dit geen dooddoener over een ordinaire begrafenis. Wie aan de rand van een graf staat kan de indruk krijgen dat de bodem opgeslorpt wordt door schaduw en zich hult in duisternis. Het lijk van de liefde wordt geloosd, ze willen er van af. De kinderen kijken toe in een halve cirkel. Nog een markant detail. De cirkel is niet meer heel, het huwelijk verdeelt het paar maar de kinderen kiezen dezelfde kant, hun kant van waaruit ze naar de kist kijken. Ze spelen op dwars- en blokfluiten, instrumenten die doen denken aan de eerste muziekles. Een toonladder oefenen. Fluiten klinken vaak teder, onschuldig en plechtig. Dan volgt een verrassende wending. Terwijl de begrafenis vordert houden de ouders elkaar bij de hand, alsof ze elkaar troosten tot op het laatste moment. Er is nog iets dat hen bindt. Er wordt gerouwd en de doodgravers ronden de klus af met scheppen vol klei. Je kan niet blijven treuren. Op een gegeven moment loop je weer weg, traag en eerbiedig. De ouders worden handlangers onder de wintervaste, altijdgroene taxusbomen. Ze gaan iets drinken en praten over het rode gezicht van de begrafenisondernemer. Een triviaal onderwerp of een onschuldige roddel? De lezer kan er zich wel iets bij voorstellen. Het botert niet meer, de echtscheiding wordt geregeld en net op dat moment, als alles verloren lijkt, bloeit er terug iets. De man herontdekt zijn vrouw en nodigt haar uit voor de film, alsof ze elkaar voor het eerst ontmoeten. Hij merkt op dat de ogen van zijn vrouw groen zijn. Was hij tot voor kort kleurenblind? Op de achterste rij van de bioscoop geven ze zich aan elkaar over in een razernij, uitgehongerd. Ze moeten zich bedwingen om de openbare zeden niet te schenden door elkaar de kleren van het lijf te scheuren. Een vurige verzoening. Ze lopen door de straten, nat van de regen, het bed wordt een eiland in de tropen en om het sprookje helemaal af te ronden komen de kinderen luisteren aan de deur als ze zuchten en gillen, de geliefde geluiden. Een gedicht dat eindigt in geluk, een geheeld gezin. Je leest het niet vaak. Een gedicht als een Hollywoodfilm. De dichter zet ons op het verkeerde been, van de eerste tot de laatste regel. In de slotregel blijft hij achter met de simpele vraag wie zijn vrouw is? Of hoe een echtbreuk eindigt in nieuwsgierige passie.