• Philip Hoorne

Binnen blijven

(fragment)


een vlag planten in mijn eigen veilige kwabben

alleen je hier binnen te laten is een dag werk

want we zien niet elkaar maar onszelf in elkaar

en ik ben bang dat ik je als vanzelf buitensluit


zelfs de bestemming van vandaag had ik al jaren

vooruit gedacht al ben ik nooit verhuisd en thuis

je eerste klap in mijn gezicht moet je nog slaan

is onderweg als het glas uit mijn handen valt


Erik-Jan Hummel



Soms is één gedicht uit een bundel lichten problematisch. De bundel binnen blijven van Erik-Jan Hummel is eigenlijk één langgerekte tekst, die is opgedeeld in korte fragmenten, soms maar drie regels lang. Dan prijken er op een blad drie regels. Stomme papierverkwisting. Ik had ter kwader trouw zo’n drieregelig niemendalletje kunnen kiezen en Hummel de grond inboren tot hij er in Nieuw-Zeeland weer uit oprees.


Helaas heb ik een goed karakter. Niet gespeend van enige pragmatiek kies ik voor het openingsgedicht. Dat lijkt mij nogal wiedes. Er komt niks vóór de opener. En er wordt wel eens beweerd dat het openingsgedicht belangrijk is. Je moet de lezer meteen – bèèèm – bij zijn nekvel grijpen.


Het openingsgedicht is titelloos en bestaat uit twee kwatrijnen met regels van ongeveer dezelfde lengte. Op pagina 13, de rechter pagina naast het door mij uitgelichte gedicht, staat eveneens een gedicht dat bestaat uit twee kwatrijnen met regels van ongeveer dezelfde lengte.


Vroeger had ik deze nette vormvastheid geprezen. Maar toen ik ooit eens kwansuis in mijn derde bundel Het ei in mezelf bladerde en op pagina 20 het gedicht ‘Bosbegeer’ (een blok van 3 kwatrijnen) zag staan naast het gedicht ‘Boerenpsalm’ (ook een blok van 3 kwatrijnen) werd ik van mijn muilezel gebliksemd. Deze opstelling was keurig, ordelijk, proper, symmetrisch, beredeneerd … maar boven alles was ze ietwat saai.


Ik zwak deze kleine tirade een beetje af. Het is saai als je als dichter ernaar streeft om een dergelijke blokvorm steevast aan te houden, altijd en overal. Dit even terzijde. Hummel doet dit niet, voor alle duidelijkheid. Ik maakte een zijsprongetje, excusez-moi.


Het gedicht is een relatiegedicht. Man-vrouwgedoe denk ik dan, maar dat is de gedachte van een cisman van middelbare leeftijd. Tegenwoordig moet je met duizend en een genders rekening houden. Ik kijk even naar de foto van de dichter op de backcover. Ja, dit ziet er mij wel iemand uit die qua genderding uit een modern vaatje zou durven tappen.


Regel 2 en regel 4 bevatten een contradictie. Als het een dag werk is om iemand binnen te laten, hoe kun je dan bang zijn dat je die als vanzelf buitensluit. Want die ander is nog lang niet binnen, het is immers een dag werk. Ofwel wordt bedoeld dat je na een lange dag werk er niet in slaagt om de ander toegang te verlenen. Maar dan klinken de woorden ‘als vanzelf buitensluit’ raar. Iemand als vanzelf buitensluiten is een actie die geen moeite kost, terwijl een dag werk om iemand binnen te laten dat wel is.


Duidelijk is dat er een niet geringe afstand is tussen de dichter en de je. Het derde vers kan impliceren dat je de ander buitensluit omdat je die niet herkent, omdat je alleen maar jezelf ziet. Ik zie voor mij een reflectie. Reflecterend glas. Een glazen deur. Het is dan ook jammer dat in de slotregel gewag wordt gemaakt van een drinkglas, want welk glas kan anders uit handen vallen dan een glas waaruit gedronken wordt. Een klap krijgen terwijl je met een stuk beglazing in je handen staat is redelijk silly. Vilein van de dader. Jammer ook van de ruit.


Ik begin te begrijpen dat ik niet aan close reading mag doen. Ik moet dit gedicht niet proberen letter per letter uit te spellen. Ik bevind me op pagina 12 en blader even door de bundel. Er wacht mij een lange zit waar ik verschrikkelijk tegen opzie. Mijn voorkeurdichtbundels zijn bundels waarin elk gedicht op zichzelf staat. Hier heb ik te maken met een dichter die de hele tijd zal refereren naar gedichten op andere pagina’s. Dat merk ik als ik tijdens het bladeren woorden en woordgroepen detecteer die terugkeren. Dit is een dichter die slimmigheid verkiest boven taalplezier.


Niettegenstaande dit een debuutbundel is, weet Hummel op het achterplat uit te pakken met lovende quotes van Tonnus Oosterhoff en Piet Gerbrandy. Gerbrandy raaskalt: De structuur van dit geheel vertoont een indrukwekkende consistentie. Heeft Hummel vooraf zijn bundel laten lezen door Gerbrandy? Is Gerbrandy de mentor van Hummel? In elk geval ben ik niet onder de indruk van zinnen waarin de woorden structuur, geheel en consistentie voorkomen, zeker niet als die op de achterkant van een dichtbundel prijken.


Er verscheen onlangs een boek met als titel 4000 weken. Dat is de gemiddelde levensduur van een mens. Ik zit op dit moment om en bij de 3000. Ik heb betere dingen te doen dan de indrukwekkende consistentie van de structuur van een geheel te analyseren.


Philip Hoorne